Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

besloot ten minste tot acht uur te wachten. Een oogenblik trok een prentenwinkel mijn aandacht. Vorstelijke personen in alle grootten. Wat lieten die gezichten me in dit oogenblik volmaakt koud! Mijn nieuwe ervaring raakte een probleem der heele menschheid; wat moesten al deze pronkende ordelinten daarnaast?

Ik ging verder, sloeg de nieuwe Wilhelmstraat in en vatte een wijle post tegen de ijzeren leuning der brug over de Spree. Mijn blik bleef hangen aan al de nieuwe, in de zon helder opschitterende gebouwen, die de rustelooze stroom van den modernen tijd hier midden in het eenvoudige, berookte kwartier aan den rivieroever gedrongen had en vooral bleef mijn oog nu rusten en drong als het ware dóór in den roodgelen gevel recht vóór mij, waarin de rijen hooge vensters het blauwe licht van den hemel heel wat helderder en fonkelender weerspiegelden dan de troebele rivier. Het waren de lang gerekte, onrustige, levendig bonte gebouwen van het vereenigde Physicalische en Physiologische

Instituut en ik wist dat in deze hallen voor mij een

antwoord was of een afwijzing. Een bonte schutting liep beneden langs het water, baksteenen lagen wild opgehoopt in de nauwe tusschenruimte, maar licht, jeugdig en frisch van kleur, echt een schepping uit een stormachtige, maar toch rijke en opgewekte arbeidsperiode der menscheid, verhief zich daarboven het trotsche huis — met zijn lichte zalen, misschien toch van de drie gebouwen daarvoor me de reinste, duurzaamste schepping, welker geest nog sterker, nog zegevierender zou zijn in den strijd der dagen dan het dreunende spoorwegstation links of de van stemmengedruisch vervulde dom van het Rijksdaggebouw rechts. Ik had deze muren nog zien oprijzen — en hoewet ik niet zelf daarbinnen studeeren zou, had ik toch in zekeren zin juist hier mijn geestelijk vaderland gezien. Liep deze droom ten einde? O, neen! nooit! — dat kón niet.

Ik liep weer terug de Dorotheënstraat in en dwaalde nu om het huis, waarbinnen ik toch geen vreemde was, als een reeds half verstootene, uit den tempel verbannene. Boven den ingang glansden de medaillonreliefs van twee heroën, van twee koningen naar den geest: Albrecht von Hailer en Johannes Müller, de langharige, oudere wetenschap, die nog aan de pruik hechtte en het stille, niet pretentieuze gezicht van den vorscher, wiens jongeren zich al de grooten van nu nog bescheiden noemden.

Het halve uur, dat ik me als laatste uitstel voorge-

Sluiten