Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV

k belde. De bediende verbaasde zich over den vroegen bezoeker, doch hij kende mij en liet mij in de spreekkamer.

Een lange poos duurde het eer buiten voetstappen naderden. Ik wist dat ik mijn vriend bij zijn arbeid gestoord had: maar daar was niets aan te veranderen. Hij kwam. Toen ik hem binnen zag komen, ging als een bliksemstraal de herinnering door mijn geest — ik vergeleek zijn gestalte en zijn gelaat met die van den graaf. Er was een enorm verschil tusschen die beiden. Dit diepblauwe en toch zoo open oog, met de zware kringen van het werken daaronder, het heele gelaat was zoo heel eenvoudig, bijna alledaagsch zijn gelaatstrekken en toch sprak er geest uit ieder rimpeltje ervan ... de Spreewoudgraaf leek mij naast hem, met zijn droomerige, versluierde zwarte oogen, het afwisselend spel zijner gelaatstrekken, dat alle wendingen in zijn dialectiek en rhetoriek begeleidde, opeens een mooie charlatan toe, een romanfiguur, wiens bekoring iemand boeide, doch ook onmiddelijk daarna weer verdween. Hier stond een mensch voor me, een man, voor wien zijn tijd, zijn leven geen droom geweest waren, die niet als een bonte vlinder om de bloesems gedwarreld had, doch zelf den bijl gezwaaid had in het woud, een man van geestelijke spierkracht en geestelijke daden, die juist daarom als geestelijk leider van duizenden vooropging, terwijl die andere alleen stond en pas met groote moeite jongeren bekeeren kon. . .

Hij begroette mij zeer vriendelijk, liet echter al aanstonds voelen, dat ik hem niet wel ongelegener had kunnen komen. Daar hij echter uit mijn eerste woorden scheen te vermoeden, hoe opgewonden ik was, en dat er ongetwijfeld sprake was van iets gewichtigs, noodigde hij mij uit plaats te

Sluiten