Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen. Hij zelf nam op een der rood-pluchen zetels plaats, echter heel vooraan, zóó alsof hij hoopte in de volgende minuut weer te kunnen opstaan. Maar heden leek heel zijn andere arbeid mij niet zoo gewichtig toe als mijn mededeeling. Ik was zelfs absoluut niet in staat dat, wat ik te vertellen had, zoo beknopt mogelijk weer te geven. Ik weidde heel uitvoerig uit, begon met de lange geschiedenis van bij de Von Alsens. Toen ik voor het eerst het woord spiritisme gebruikte, speelde er een lachje om zijn mondhoeken, doch eer een gedwongen lachje. Hij meende wel te moeten glimlachen daar bij onze gemeenschappelijke gedachte over deze dingen, er toch niets anders dan iets humoristisch aan dit woord vastgeknoopt kon worden. Tegelijk maakte hij een onrustige beweging, als wilde hij zeggen: — Hé — amusant — maar wat verder, beste vriend. . . .?

Ik merkte dit zeer goed, maar bekommerde mij niet daarom. Daar ik bovendien volkomen ernstig bleef, nam ook zijn gelaat weer zijn gewone, opmerkzaam vorschende uitdrukking aan. En toen nu het verhaal zich al verderen verder rekte, scheen een zekere gelatenheid de overhand in hem te krijgen — stellig een hoogste bewijs van achting zijnerzijds. Hij zag nog eenmaal als een laatste, hulpelooze vermaning naar de klok — toen dat echter ook niet hielp, haalde hij een sigarenkoker voor den dag, stak, nadat ik bedankt had, zelf een sigaar aan en trok zich met een korten ruk verder in zijn zetel terug.

Hij liet me, zonder me in de reden te vallen, uitspreken, zoo rustig, dat ik het onaangenaam gevoel kreeg dat hij misschien maar half naar me luisterde en in den geest bij zijn verlaten arbeid was. Eerst toen ik gewag maakte van de ontmaskering in het Spreewoud, bewoog hij zich even en toen ik een wijle zweeg om adem te halen, zei hij met zijn basstem: — Nu, ja, ziet ge, zoo gaat dat. Verder liet ik me zoozeer meesleepen dat ik heel niets meer van hem zag. De heele kamer scheen niet voor me te bestaan, ik had alleen maar het vage gevoel, dat de zaak hem nu ook, evenals mij, stormenderhand mee zou sleepen. Toen het laatste er geheel uit was, leek mij dit een verlossing. Alles was nu in een anders hand en die zou het wel weten te vatten, tot helderheid te brengen.

Ik veegde met mijn zakdoek mijn voorjioofd af en zag toen weer naar hem, als merkte ik hem nu voor de eerste maal weer op. Als hij ooit in mijn oogen had kunnen lezen, dan moest hij gevoelen, dat ik nooit onbepaalder vertrouwen

Sluiten