Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichte welving van het vestzakje, waarin zijn horloge zat, ik rook den geur van de sterke tabak, die hij rookte. Ik had lust om die hand van mij af te schudden, die mij een vernederende last toescheen en ik dacht toch tegelijkertijd dat het een zwakke grijsaard was, die voor me stond.

Na een minuut gezwegen te hebben trok hij zijn hand zelf terug, ging met onzekere, tastende schreden naar de tafel en begon in een boek, dat daar lag, te bladeren. Zonder daarvan op te zien ging hij langzaam voort:

— Laat mij er echter nog iets aan toevoegen. In dat net, waarvan ik zooeven sprak, is nog geen vorscher gevangen of hij had reeds te voren de voeling met ons verloren. De ongelukkige Zöllner te Leipzig, dien ik als mensch diep betreur, had allang het vaandel der echte wetenschap verlaten, toen het spiritisme hem in zijn klauwen kreeg. Dat is een oude vete tusschen ons. Ik spreek daar niet gaarne van. Doch wat ge me heden verteld hebt, brengt me er onwillekeurig op. Ge zijt — hoe is hier de vraag niet, in hoofdzaak echter niet door eigen schuld — op dat nevenpad van het populariseeren geraakt, van dat werkelooze voortslenteren naast de wetenschap. Ik weet dat ge ook daar uw werk ernstiger opgenomen hebt, dan honderden anderen. Maar de vloek, die daarop rust, wreekt zich ook op u. In plaats van uw aandacht alleen daar te laten gaan, waar alléén heil is voor de wetenschap, namelijk bij den nuchteren, onzelfzuchtigen arbeid, hebt ook gij die gevaarlijke zijpaden ingeslagen van schitterende hypothesen, van geestig gefladder buiten het gebied van wat ons tot dusver gegeven is. Nog eens: pas op — dat pad leidt naar een doolhof. Niet alleen wordt de wetenschap daar een onbeduidende coulisse, maar ook de booze neigingen van den mensch, ijdelheid en aanmatiging, hebben daar vrij spel. De enkeling, die den samenhang met het geheel verloren heeft, denkt zich ten slotte een messias en is toch niets dan een arme bedrogen dwaas. Misschien hecht de bijval der domme massa zich aan zijn schreden, maar het vertrouwen van den waren vorscher heeft hij verbeurd. Ik had niet gedacht u dat te moeten zeggen. Als ik daar vroeger weieens tegenover u op zinspeelde, had ik daar bijna spijt van, als ik u zoo zeker uw weg zag gaan. Hedenmorgen hebt ge me doen zien dat ook aan u dat wanhopige vergif zijn macht openbaart — ik weet niet of mijn waarschuwing al niet te laat komt.

Zijn stem was bij die laatste woorden toch iets milder

Sluiten