Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geworden, ze klonk als een laatste groet van den man, dien ik meer dan een vader vereerd had — een oogenblik nog hield het me gevangen, hoewel ik nu reeds de heele klove overzag, die ons scheiden zou.

— Heer geheimraad, begon ik nog eens, toen hij daar weer van mij afgewend bleef staan en een drukkend zwijgen neerzonk, alleen verbroken door de bel van de tram beneden op straat, — waarom kon, wat ik u daareven bracht, toch ook niet een eerlijke bouwsteen voor de wetenschap zijn?

Hij liep langzaam op het zachte tapijt om mij heen tot achter zijn armstoel. Daar kruiste hij de armen over den rug der zetel en zei, den blik strak gericht op den muur, waar tegen het behang een ets hing met de fijne diplomatentrekken van den grijzen Alexander von Humboldt:

— Waarom dat niet kan, vraagt ge? Wel, omdat de wetenschap, waarom wij hard genoeg gestreden hebben, een groot gebouw, is dat één geheel vormt. Stellig is daarin ieder eerlijk arbeider welkom, maar toch heerscht er nog wel zooveel huisrecht in, dat we dengeen, die beproeft de fundamenten omver te werpen, eruit mogen gooien. Als spoken regeeren, dan kunnen wij met onze natuurwetten wel inpakken, dan stort alles inéén, wat we veroverd hebben, de logica wordt dan onzin, alles wordt dan in alles mogelijk, en we konden rustig terugkeeren tot het Schamanendom, tot den fetischdienst der wilden, de vooruitgang der beschaving is dan reusachtige humbug, Cagliostro en Swe-

denborg staan boven Alexander von Humboldt welnu,

als gij dat wilt — maar ik, zoolang ik leef, wil dat niet!

Daarmee was ons gesprek geëindigd. De dobbelsteenen waren gevallen, de man, tot wien de wetenschap opzag als haar heros, had mij mijn afscheid gegeven. Wij gaven elkaar de hand, hij zei nu met droefgeestige, vriendelijke stem dat ik toch spoedig met wat beters naar hem terug zou komen. Ik beloofde het en wist daarbij dat ik het niet doen zou. Ook deze laatste, mildere gelaatsuitdrukking had ik reeds vergeten, toen ik op de warme, rumoerige straat kwam, ik zag alleen nog maar dien hoonenden trek van te voren. Met dit gelaat zou de man, wiens edele zachtheid ik steeds vereerd had, voortaan in mijn ziel geprent staan.

Sluiten