Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en gloeiend heete lucht, met dik stof vermengd, sloeg me op straat tegen.

Het was snel zwoel gewnrHpn H ipn mnrnron \/nr

boven de Spree groeide de nevelige, grauwe sluier&aan van een ongewoon vroeg onweer. De heele Dorotheënstraat rook naar boter en naar groenten. Voor het open portaal van de overdekte markt verdrongen zich vuile karren.

Ik liep langzaam, zonder bepaald plan, langs het trottoir, aldoor langs de eindelooze rij slaperige huurkoetsiers. Ik keek naar de gebouwen, als had ik ze nog nooit gezien. In het stoffige groen stond half verborgen het kleine roode gebouw van de Dorotheënstadskerk — — als de godsdienst nu eens meer gelijk had als we ooit geloofd hadden, wij daarover in het bonte huis, waaruit ik kwam — als hij eens gelijk had, juist om der wille van zijn mystiek!

Daarna kwamen de slanke zuilen van de loge Royal York — — ook hier misschien het laatste, stamelende overgeblevene van geheime droomen uit vroeger tijden; droomen, die meer waren dan droomen, en die onze verlichting verduisterd had, niet verlicht...

Het reusachtige, massale Centraal-Hotel met zijn vergulde stadsnamen, zijn hemelsblauwe portières in de vestibule, zijn krans van balcons vol purperen petunia's — — en toch verlaten, leeg aan gedachten, een huis voor een oogenblik toevens, waar de menschheid niets was dan een eeuwig wisselende, zinledige golfslag.... de beschaving, die dat geschapen had, scheen mij heden, nog meer dan gisteren, iets armzaligs toe, en de wereldstad leek me een fata' morgana, die geen wezenlijke bronnen had voor de dorstende ziel.

Op de Friedrichstraat werd het steeds drukkender steeds heeter. De wolkenmassa, die verkwikking beloofde,'

V.

Sluiten