Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijna onhoorbare rumoer beneden op straat ... het voorwerp van dit weten zelf trad langzamerhand op den voorgrond. Wat was er gelegen aan alle menschelijke wijsheid, aan ailen bijval van menschen?

Het was mij als klonk uit dat titanisch worstelen der ontboeide krachten aan den hemel een groote stem tot mij neder, een stem, die tot mij riep, gelijk de Heer eens in het Faustboek, dat Bijbel heet, geroepen had tot Job en zijn vrienden: — Wie zijt ge, dat gij mij reeds meent te kennen en reeds maten stelt van wat ik kan en niet kan?

Wat was het wel, dat daar boven straalde, ratelde en gromde? Electriciteit — kracht. Wat beduidde dat? Het was een woord! Een stem was tot mij gekomen in dezen nacht, die getuigde van een geesteskracht. Waarom moet die onwaar zijn? terwijl toch niemand die stem daarboven, die even raadselachtig tot ons naar beneden kwam, voor onwaar hield?

Den wilden was de bliksem een God geweest — voor ons, in onze wijsheid, was hij een kracht. Wisten wij daarom meer van hem?

Een vreeselijke donderslag, knetterend als de knal van een zweepslag, verdoofde een oogenblik alle gedachten; achter mij zeide een stem: — Dat is daar boven in den bliksemafleider ingeslagen!

Ja, we wisten het tegenwoordig, dat de vlammengod de vrijwillig aangeboden ijzeren stang als een offer aanvaardt in plaats van het dak, dat hij anders zou verbrand hebben

maar was dat een weten van zijn innerlijke natuur? Ik meende te weten dat de stem van een stervende over bergen en dalen heendroeg, snaren deed trillen in de ziel van een vriend, die mijlenver van hem verwijderd was. Waren deze laatste feiten noodwendig onwaar, omdat wij van geen van beide de oorzaak konden raden?

En onder de stormen der verschrikking, de oogen verblind door het overweldigende licht, het oor nog suizend van den dreunenden slag, werd mijn ziel op eenmaal zoo stil, zoo vreedzaam, als was mij een groot, gelukbrengend geheim geopenbaard.

Ik, die tegenover de wetenschap gestaan had als een dwaas, als een afvallige — ik gevoelde voor de groote, nog ongekende natuur geen angst. Het was mij als had een hoogere macht recht gesproken in mij en ten mijnen gunste. Er kon van komen wat wilde — ik zou mijn eigen weg gaan.

In grauwe, over het asphalt der leege straten woest

13

Sluiten