Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

k had in het station nog tijd gehad wat te eten en inderhaast een glas bier naar binnen te gieten. Nu rookte ik in de couoé de eene sieaar na de nnHprp

om den tijd dood te slaan, die mij eindeloos toescheen.

De trein haalde al spoedig het onweer weder in. Nog eenmaal kon ik den donder boven mij hooren. Toen begon de omtrek voor goed te vervloeien in het natte blauw van een fijnen, doch hardnekkig neerstroomenden regen. Een goed vooruitzicht voor een boottocht van verscheidene uren! Maar ik gevoelde nu een grimmigeri trots in mij — een trots, die mij onverschillig deed zijn voor uiterlijke gemakken en dat werd ten slotte zelfs een soort bittere humor, die maakte, dat bijna alles me vroolijk leek.

Dat was wel noodig om niet dadelijk bij de aankomst aan het station den moed te verliezen. De grond was tot een weeke brei geworden, geen droog plekje was er, noch aan den hemel noch op aarde. Naar de plaats, die een goede twintig minuten van het station verwijderd lag, vond ik echter, tegen alle pessimistische verwachtingen in, een gelegenheid om te rijden. Maar door de natte ruiten van de over den weg knarsende omnibus zag ik reeds een opwekkend beeld van wat me te wachten stond. De horizon was naar alle zijden heen één blauw-grauwe massa; enkele witte-grijze wolken sleepten omlaag tot aan de druipende elzen langs den waterkant.

De ratelende kast hield stil, ik hield mij even op in de kleine, witte herberg, waar we toen in de boot gegaan waren. Het meisje, dat mij bediende, nam mijn wandelstok in pand voor een parapluie. Na eenig zoeken vond ik ook een schipper, die mij in weerwil van het slechte weer naar de plaats mijner bestemming wilde brengen; het was een magere grijsaard met een gezicht als een oude, zwakke

Sluiten