Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geit, en die voor den regen even gevoelloos scheen te zijn als het hout van zijn boot.

Met meer overleg dan ik verwacht had, bouwde hij mij in de reeds vóór het afvaren door en door natte boot een wonderlijk nest van hooi, waarin ik mij tot aan de borst toe begraven moest, juist als een oude flesch Bourgogne. De kraag hoog op, de parapluie in de vrije rechterhand, de sigaar in den mond en achter me de dorre ooievaarsgestalte van den oude — zoo gleed ik kort daarop over het water.

Ik had een gevoel als dreef ik op het water zelf. De lage oevers begrensden den gezichtskring niet. De zwellende waterspiegel, door de duizenden kringetjes van de vallende regendruppels als met een glinsterend net overspannen, vloeide aan weerskanten samen met de wiegende bladen der nympheën en de sidderende, gouden dotterbloemen en zelfs de grens van den regenzwaren hemel scheen verschoven: de wolken kropen als reusachtige zeilen vlak boven de toppen van het riet. Het water zelf in het kanaal was diep zwart — soms, wanneer de regendruppels dichter vielen, was het alsof het omhoog kwam en alsof de boot zonk. Geen waterjuffer snorde rond, de heele dierenwereld sliep. Slechts nu en dan eene groote, starre schaduwgestalte in de verte, vischreigers, die grauw tegen het grauw afstaken, spookachtige wezens met zwarte vleugels en lange beenen, in een spookachtige wereld, die als droomen uit een geheimzinnige vóórwereld, peinzend en doelloos over het schuimend oppervlak van een verzonken zondvloedlandschap heen togen.

Hoewel mijn sigaar onder het afdak van mijn parapluie geen deel kreeg van den stortregen, werd ze toch vochtig van de waterdeeltjes in de lucht en ging ten slotte, met een weerzinwekkend walmen uit. Waar een huis opdook, zag het er nog meer verlaten uit dan anders. De bonte bloemkopjes in den tuin trilden en drukten zich schuw weg onder het geweld van den waterval van het druipende rieten dak. Geen vreemde boot kruiste de onze. Mijn schipper sprak geen woord. Als hij zijn tandeloozen mond open deed, droop het water erin; misschien verstond hij ook alleen maar Wendisch. Ik gevoelde mij totaal verlaten in deze reusachtige, druipende en murmelende eenzaamheid. Wie toch reeds, zoo als ik, melancholische gedachten in zich omdroeg, zou die hier niet kwijtraken.

Wat zocht ik hier? Waarom kwam ik opnieuw hier terug?

Sluiten