Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er was in dit willoos zich laten voortdrijven op de grauwe wateren iets als een zinnebeeld des doods, een groot zich storten in het eeuwige ledige, zonder wenschen, zonder eigenbelang, in de vorm- en kleurlooze reuzenwoestijn der natuur, waarin volgens de leer der natuurvorschers alles een einde moest nemen. Ik had de leegte van die mechanische wereldbeschouwing gevoeld in den haastigen maalstroom der wereldstad. Nu zag ik om zoo te zeggen haar laatste, innerlijkste wezen.

Niets, niets, niet eens een einde! Deze sombere golven schenen me een openbaring van die geheimzinnige wereld der atomen zelf, die onophoudelijk in beweging waren, zich groepeerden, elkaar weer loslieten, een zon bouwden of een zwerm muggen, om morgen dat alles weer neer te drukken in het zwijgende wasvlak van wat eeuwig hetzelfde bleef, zich als geheel nooit kon veranderen, nooit leefde en nooit stierf, dat zelfs de ruimte en den tijd uit zichzelf voortbracht als luim van een toevallige moleculenverbinding in de menschelijke hersenen ...

Neen — zulk een wereld was als oplossing voor de vraag van leven en dood iets krankzinnigs.

Ook dit water zou weer wegstroomen, de zonneschijn keerde eenmaal weer terug. De heele mechanische verklaring van het heelal was niets dan een verlammend werkende, het hart verkillende regendag in den geestesstrijd, in den strijd om de waarheid. Iets nieuws, geweldigs zou nog heden vóór mij liggen aan gene zijde van dien Styx. Deze tocht zou een einde nemen. Ik zou den graaf en zijn gezellen weerzien. Ik zou het wonderbare wezen, dat Lilly heette, weervinden.

Hoe grenzenloos ruw, hoe dwaas had ik mij tegenover haar aangesteld! Als de eene geest zoo tot den andere sprak, gelijk ik nu ondervonden had, waarom zouden dan niet inderdaad vreemde geesten kunnen spreken door den mond van dat meisje? De uitleggingen van den graaf schenen mij ook nu nog een duister mysterie toe, maar er was nu iets in mijzelf wat mij naar dat mysterie heendrong. Ik had een lichtstraal gezien als Paulus. Nu was mijn oog als verblind. Maar het was de heilige verblinding, het afsterven voor het grove licht der wereld, waaruit een nieuwe kracht tot zien groeide voor het niet te begrijpene. Ik dacht aan de raadselachtige leer van de Christelijke wedergeboorte. Ik dacht aan woorden van Schopenhauer, die ik nooit begrepen had en die mij nu toch zoo helder als goud waren. Ik had

Sluiten