Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In een donkeren hoek zag men vaag een paar dikke vaten en eindelooze rijen grijze steenen kroezen, een muffe lucht van gistend wit bier kwam ons tegemoet. Aan den hardrooden balk hing een hanglamp, een klok tikte in den hoek, in een vogelkooi fladderde een kanarie. We gingen op een bank zitten, die zwart van ouderdom was en die langs het venster liep tot aan het groote kachelfornuis. Ir. den geur van bier mengde zich spoedig de reuk van natte kleeren en onder de bloote voeten van den oude, die achter de kachel was gaan zitten, vormde zich een groote plas water. Na een poos ging in den donkeren achtergrond naast den stapel vaten een deur open, een dikke boerenvrouw met bloote voeten kwam binnen. Een roode hoofddoek wierp zijn schaduw op haar fijne gelaatstint, de volle boezem kwam sterk naar voren onder het keurslijf, waarover een kort, blauw, open jak fladderde, ze droeg een groenen, geplooiden rok en een donkerblauwe schort. Nadat ze zwijgend aangehoord had, wat wij verlangden, hoorden we spoedig in de keuken achter de open deur het knarsen van een koffiemolen. Buiten kletterde de regen op het raamkozijn. In het vale licht had het geheel wel iets van een betooverd slot, waarin de tijd sinds eeuwen stilstond. Alleen de tikkende pendule was modern en een slecht gedrukt provinciaal blaadje op de ruwe tafel verkondigde het nieuws van den dag uit de verre wereld.

Lilly had haar natten regenmantel, die sterk naar caoutchouc rook over een ton uitgespreid. In haar nauwsluitende zwarte tricottaille en met haar door het vocht niet meer krullend haar op het voorhoofd, had ze nu nog meer van een wonderlijke nimf, uit den onmetelijken zondvloed opgedoken om een dolenden ridder den weg te wijzen — of misschien óók wel om hem geheel en al van den weg te brengen. Ze was dicht bij een van de kleine raampjes gaan zitten, met haar spitsen elleboog op het ruwe, wormstekige kozijn, de beenen over elkaar.

Een jonge boerendeern, wier bloote armen strak uit het zwarte keurslijf staken, bracht ons na een tamelijk lange poos de koffie. Ze gaf Lilly met neergeslagen oogen de hand en sprak haar aan als: «mevrouw de gravin». —

Toen ze weer in de keuken verdwenen was en de deur achter zich toegetrokken had, hief ik schertsend mijn tas op en zei: — Prosit, mevrouw de gravin!

Lilly schudde zacht het hoofd en glimlachte zwijgend. Dadelijk daarop werd zij weer ernstig. Ik had het gevoel

Sluiten