Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spookachtig eenzame boottocht, de onverwachte ontmoeting, deze romantische, van de wereld afgezonderde blokhuiswoning in het visschersdorp, waaromheen de wateren ruischten, waarbinnen een klok tikte en een geur van bier de zware atmospheer vervulde — het was als in het sprookje van Undine, wondervreemd, den geest verdoovend, de ziel omstrikkend met een toovernet — o, ik zou nu voor niets ter wereld heengegaan zijn.

— En waarom zou ik heengaan? zei ik glimlachend, nu ik toch eenmaal uit vrijen wil hier gekomen ben? Wilt juist gij mij den toegang verbieden tot het huis, dat mij eenmaal zoo gastvrij geherbergd heeft, juist gij, miss Lilly?

Zij krabde onrustig met de kleine, spitse nageltjes aan het vergane hout van het vensterkozijn.

— Ik verbied niets; bij den graaf zijt gij welkom, dat weet ik. Lilly is het, die u waarschuwt, Lilly alleen. Nog eens — ga terug. Ik geef u geen uitleg, ik zeg u alleen: het is goed voor u dat ik dit zeg.

Haar blik, die weer op mij bleef rusten, had iets gebiedends, maar er was niets in, wat mij kon doen besluiten. Ze is nog boos op je, dacht ik weer en voor straf zou ze je terug willen laten gaan. Maar dat gelukt haar niet! En het bewustzijn dat ik haar doorzag, deed mij opnieuw glimlachen.

— Miss Lilly, als u mij geen uitleg geeft, dan kunt u me ook niet dwingen.

Een seconde bleef haar gelaat zóó ernstig, zóó strak, dat het mij tot in de ziel ging.

— Dwingen? Ik dwingen? — wel neen. . . .

En opeens was haar stem nog iets weeker dan voorheen, de zoet-droefgeestige sirenenzang klonk er nog sterker in.

— Nog eens, lieve vriend, mag Lilly u terugvaren — naar het station?

Vleiend zei ze dat en juist op dat «Lilly», op het samen terugvaren viel zulk een wondere klem — ik zag mijn beeld zóó duidelijk verbonden met het hare — wij beiden alleen in een boot in het stille, blauwe regenlandschap — ik zag niet in, waarom we dat niet waar zouden maken,

— doch in een tegenovergestelde richting als die, welke zij bedoelde ...

— Miss Lilly, zei ik en legde mijn rechterhand zacht op haar smal handje, — zie eens, als ge mijn schipper wilt zijn, waarom dan niet het land in, naar het slot toe?

Sluiten