Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koffie in de beste verstandhouding en voerden satnen nog een stuk brood aan de eenden op.

— Weet ge, zeide ze na een poos, terwijl ze nog naast me over het open venster gebogen lag, met de knie nog op de bank: — Ik wil eerlijk zijn: ik vind het heerlijk, dat ge niet teruggegaan zijt. Nu is er weer eens wat afwisseling op het kasteel. Ge kunt niet gelooven welk een verveling daar anders heerscht. De graaf en de andere heeren — o, het zijn engelen, ze redden de vliegen uit de soep, maar ze verzouten de soep voor anderen door hun vreeselijke geleerdheid. In het begin had ik iederen dag hoofdpijn. Nu, men went ten slotte aan alles, zelfs aan philosofie!

— Ik weet ook wel, voegde ze er na een kleine pauze, als een goed kind, dat zich bezint, aan toe, dat dat allemaal heel ernstige dingen zijn, zeker heel gewichtige dingen. Maar er komen toch nog andere uren, en ik geloof dat gij niet heelemaal zoo erg zijt als die daar. Wilt ge me dat beloven: ook zoo nu en dan eens niet over wijsbegeerte te praten? Zoo nu en dan maar — en ook wel eens een keer een roeipartijtje, dat wil zeggen, zonder dien regen?

Het was alsof ik voor de eerste maal tot op den bodem van haar ziel zag. Ze was nu, naar 't mij toescheen, volkomen oprecht. Achter de geestenkoningin verscheen nu de mensch, de vrouw. En deze vrouw was nog half een kind, met de wenschen, de nukken en de lieftalligheid van een kind.

— Ja, miss Lilly, ik wil gaarne doen wat ik kan.

Het leek mij een heel bijzonder geschenk der fortuin, dat ik op zulk een wijze reeds in het eerste uur een diepen blik kon slaan in haar karakter. Een bijzonder weldadig gevoel kwam over mij. En alsof het weder zelf mij helpen wilde, werd het op eens lichter daar buiten, het droefgeestige getrommel van den regen hield op, een stukje blauwe hemel werd zichtbaar boven de boomen en spiegelde zich blank in de waterplassen en de natte tafel. De schipper werd met een diepe zucht wakker en stond opeens als een vermanende geest achter ons. Het weer was nu zoo goed, mompelde hij, half of niet verstaanbaar, we moesten daarvan profiteeren, later kwam de regen weer terug.

— Vooruit dan maar, zei Lilly. — En weet ge wat? Ik kom bij u in de boot, kameraad. De oude kan ons dan roeien, dat is toch een wat al te natte geschiedenis naar mijn zin.

Sluiten