Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets dat meestreed in den geestesstrijd, en waarvan hoogstens de oude astrologen een flauw vermoeden gehad konden hebben.

Dat was de trilling van een nieuwe gedachte, welke voor dezen dag zich nog als laatste kwam voegen bij de vele voorafgaande. Een weinig later was onze tocht ten einde. We gingen dwars door een hoek van het bosch en een oogenblik was het alsof de nevel boven ons hoofd samenvloeide. De hemel en de oever verdwenen, alleen het dichtstbijzijnde stuk van het smalle kanaal bleef zwart glanzen, en de witachtige houten spits van het bootje boorde zich langzaam als een glimmende mikaplaat. Plotseling schemerde van links licht door den nevel, boven onze hoofden verscheen opeens, als uit de lucht omlaag gekomen de welving van een brug, — een geknars van de kiel op het zand — en we legden aan dicht bij het slot, zonder dat we daarvan echter meer konden bespeuren dan een vaalrooden lichtkegel, die uit de vensters achter de veranda in den nevel naar buiten stroomde.

Het was heden echt een spookkasteel. Geen mensch was te bekennen om bij het uitstappen te helpen. Toch scheen men in de zaal het geplas en het holle geplomp bij het uitstappen gehoord te hebben, de glazendeur werd plotseling geopend en de magere gestalte van den kapitein verscheen in het volle lamplicht op de veranda. We riepen hem aan en hij kwam strompelend de trappen af.

— Oh! miss Lilly, goedenavond. Brengt u bezoek mee'

Zijn door het licht verblinde oogen herkenden mij nu. Ik had een gevoel alsof ik weer thuis was — ik schudde

hem warm de hand. Hij leek mij in dit oogenblik lang niet komisch, heelemaal niet.

Toen Lilly, die ons vooruitliep, de open deur binnentrad nep de graaf van binnen al:

— Zoo, miss Lilly, wie te laat aan tafel komt, vindt niets meer dan het dessert.

— Dat breng ik u mee, het dessert! zei ze lachend.

Alle aanzittenden stonden op. Met de servetten in de

hand kwamen ze aanloopen, die lieve vrienden—de graaf de schilder, de dichter, — en na al de ellendige kwellingen van dezen dag was deze begroeting mij als een gelukkig uitleven. Ik geloofde in mijn heele leven nog nooit zooveel hartelijkheid op eenmaal ondervonden te hebben.

— Ziet ge, ziet ge, zei de graaf, ik wist het wel dat ge komen moest. Maar nu hebben we u en nu houden we u.

Sluiten