Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE BOEK.

I.

larheid! Wat is waarheid?

De lichtblauwe morgenhemel spande zich boven mijn hoofd uit als een teer, los zwevend zijden tent¬

dak, dat scheen te rusten op de breede, lichtgroene bladeren van de tulpenboomen bij de oude oranjerie. Het grastapijt, zoo week als mos, zwol op, als hadden de wilde regenvlagen van gisteren er nog een golvende zee onder achtergelaten. In de verte tusschen de platanen verdwenen de laatste nevelen langzaam voor de warme zonnestralen en openden het eene vergezicht na het andere. Het gele tuinhuis zelf met zijn beide roode koepeldaken, zijn doorééngeslingerde wilde wingerdranken langs de veranda, zijn groene bakken met laurierboompjes, lag in 't midden recht voor me, als een sfinx, die mij uit haar holle glasoogen loerend aanzag.

Maar heel enkele geluiden van vogels verstoorden de stilte in het rond.

Een groote, zwart-gele wouw, gestreept en met dolle arabesken uitgedoscht als een pauselijk landsknecht, doorsneed de warme lucht in lange, scherpe zig-zaglijnen en viel toen opeens neer op de geel-roode vlek van het geraniumbed voor de orangerie.

Vanaf het slot klonken nu met aarzelenden, roestigen klank acht slagen, acht uur. En heel uit de verte van over het breede kanaal het blaffen van een hond, zwak als een klokje, diep uit een afgrond in het elzenbosch.

Waarheid! Wat is waarheid?

Sinds een uur zat ik nu reeds hier in dit eenzame hoekje van het park, ver achterover leunend tegen een ongemakkelijke, diepzwarte, rustieke bank, den blik op het

Sluiten