Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch die trotsch den blik had durven verheffen naar de mysterieën van het andere kruis, onverbiddelijk den sprookjesdroom uit het dal van den Jordaan verstoord?

Peinzend zag ik terug op mijn leven, op het geloovige deel van mijn persoonlijk leven. Ik zag een kind, dat onder de bekoring van het moederoog, de handjes vouwde — woorden nasprak van den Heere Jezus, die onze gast zijn moest... dat waren niets dan woorden en wanneer het al eenig gevoel in zijn gebed legde, dan richtte dit zich tot de moederliefde zelf, zijn beschermende Godin.

Ik zag een wilden, overmoedigen knaap, dien men in de enkele uren godsdienstonderwijs een overoud, angstwekkend grootsch epos in handen gaf, waarin een heel eeuwenoud volk zijn wanhopigste worstelingen, zijn ruwheid, zoowel als de groei van zijn beschaving, zijn troost zoowel als zijn vertwijfeling, zijn schuld zoowel als zijn boete, naakt en schril gekleurd beschreven had, een boek, dat hij niet kon begrijpen, omdat hij jong en onschuldig was. En men gaf hem dit epos in een zeer merkwaardige en melodische schoone, maar bijzonder verouderde vertaling, waarvan hij heelemaal niets begreep en die hem zot en belachelijk leek; men gaf hem die om er teksten uit te leeren, die uit hun verband gerukt kinderachtig geleuter werden, en men vertelde hem dan — in den tijd, dat er reeds geen geloof meer in hem was — dat alles wat hij daar las, dat schoone, zoowel als dat zotte, louter waarheid was. Waarheid! Wat wilde dat voor hem zeggen?

Eindelijk zag ik den student, den wordenden man, die begon het oneindig raadselachtiger epos van zijn eigen leven te lezen, die over de groote vragen des tijds begon te denken en ze medestreed — huizendiep lag alles beneden hem, wat godsdienst heette — de moraal, die zich in hem vormde onder hevige stormen, sproot op uit heel anderen bodem; in politiek opzicht zag hij in den godsdienst, waar die heerschend wilde optreden, een rammelend geraamtespook, waartegen ieder verlichte geest vinnig moest strijden... en zoo trilden hem tenslotte schijnbaar alleen nog maar woorden zonder beteekenis door het hoofd. Geen ansgt voor het mystieke doorhuiverde hem. Hij hoorde de klokken van kathedralen luiden en dacht aan kunst, aan muziek. Hij ademde den geur van den Kerstboom en dacht aan zijn ouderlijk huis en aan lachende kinderoogen. Hij zag den geestelijke den ring zegenen, de wieg wijden, aan het graf een laatsten groet toeroepen over de dof vallende

Sluiten