Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aardklompen en zag in hem niets dan belichaming van het plechtigste oogenblik zelf, het symbool van de groote, natuurlijke momenten in het menschenleven — meer niets. Zonder trots of overmatige zelfverheffing, eenvoudig als eerlijk mensch van mijn tijd, had ik den zin laten drukken: — «Onze tijd is den kinderschoenen van mysticisme en romantiek ontgroeid; het weten is onze religie, de dienst der waarheid is onze godsdienst.»

Mannen van reinen zin, die ik vereerde als de besten van hun tijd, hadden daar grif mee ingestemd, — het scheen bijna een triviale waarheid, die ik daar gezegd had.

En toch was het nu op eenmaal als reikte uit den vrede van dezen blauwen morgenhemel een groote, witte geestenhand omlaag, die met één streek dat alles uitwischte van de tafelen mijns levens. Verdwenen waren de cirkels, de zinnen, die mijn denken omsponnen hadden, — naakt, zwart, ledig werd het oppervlak. Maar uit het duister scheen een stem op te komen, een stem als die van Mozes, toen hij den berg Sinaï afdaalde en het gouden beeld zijns broeders in het stof vertrad: neen, het is niet waar, dat gij allen, gij zelf, uw tijd, uw eeuw verlost zijn van den zucht naar het godsdienstige, naar het mystieke. Qe hebt gezworen bij de wetenschap, haar alles ten offer gebracht — gij en uw tijd in u — maar ge waart daarbij niet innig gelukkig. Ook in u heeft het heimwee geknaagd, inwendig waart gij jaloersch op den geloovige, die in zijn overgave aan het onbegrijpelijk geheimzinnige troost vond.

Wees eerlijk! wees eerlijk!

Gij en gij allen, die denkt en voelt in dezen tijd, gij zijt in uw diepste ziel religieus, alleen durft gij het niet toonen uit angst voor uw wetenschap. Nu dan: dit wereldsche weten ligt in stukken aan uw voeten, de banden zijn gebroken, de geknechte geesten uit uw hart staan daar en ze verlangen antwoord van u. Ge zult geen nieuwe oplossingen zoeken voor de oude vraag naar de waarheid. Eerst zult ge onderzoeken of niet, evenals die geestesstem in den nacht luid klonk in weerwil van uw ongeloovigheid, er ook in de voorbarig terzij geschoven godsdienstdroomen volle, zichtbare waarheid zou kunnen zijn.

Iets dergelijks had reeds in mij geklonken in den eersten koortsaanval in dien angstigen nacht. Maar wat me daaruit aanstaarde, scheen een Gorgonenhoofd. Nu was alles rondom mij zoo stil, zoo vredig, zoo schoon

Mijn ziel droomde heen naar de groote, wondervolle

Sluiten