Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den mensch zelf verteert, in plaats van anderen te verwarmen? En weet ge wat het zeggen wil als voor een mensch zijn kunst is als opium, waarmee hij zich voortdurend bedwelmt, doch ook uitsluitend zich zelf, zonder dat anderen daar ook maar het geringste van profiteeren? Voor Frey is het zelf genieten alles. Zijn hartstocht is: voor een halfleeg doek te zitten en daar vage aanwijzingen op te zetten voor iets buitengewoons, voor een reusachtige compositie. Is de roes van het vinden en het innerlijk zien voorbij, dan werpt hij de schets weg en denkt er niet aan, iets af te maken. Zijn dubbel talent voor schilderen en musiceeren bevordert deze phantasie-orgieën nog. Beelden en tonen zijn voor hem een en hetzelfde. Aan het klavier zwelgt hij in kleurenvisioenen, met het penseel hoort hij de kleurnuances als tonen.

— En wat heeft het leven niet dezen mystieker gedaan? vroeg ik.

— Het is ruw en bitter voor hem geweest. Gij kent de wereld; u behoef ik niet veel te vertellen van de misère, waarin die man leefde, toen ik hem leerde kennen. In vroeger jaren had hij wel eens een paar schilderijen afgemaakt en verkocht, later niet meer. En dat was jammer, want zijn stukken mochten nóg zoo vreemd zijn, zegingen van de hand. Daar, zie eens naar deze naakte armen, naar het begin van die borst en verbaas u over het mysterie in het menschelijke genie: deze phantast kan waarnemen als hij wil. In zijn diepste innerlijk is hij letterlijk gedwongen een groot realist, zijn eerste studieschetsen naar het model zijn parelen van realisme. Nu zegt hij wel: eerst na het realisme begint voor hem de kunst. Zoo heeft hij een tijd lang zijn werk, als het af was, zelf bedorven en daarna niets meer geproduceerd. God weet waarvan hij eigenlijk tal van jaren geleefd heeft. Behoeften heeft hij trouwens ook bijna niet. Ons leven op het slot was hem een gruwel, hij raakte hier eerst thuis, toen we hier dezen ouden molen voor hem opscharrelden, waar hij weer zijn eigen koffie kan zetten evenals in zijn dakkamertje in Pankow, waar ik hem opgedoken heb.

Ik had onder 't spreken door stellig wel dertig portretten van Lilly de revue laten passeeren. De graaf had gelijk: in dezen phantastischen opiumrooker stak van nature een groot realist. Dozijnen malen had hij de trekken der zieneres met zekere hand tot in de fijnste bijzonderheden getroffen. Maar ik zag nu zelf ook dat hij in telkens weer nieuwe

Sluiten