Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor deze vrouw hebben willen neerknielen, haar matte handje willen kussen, omdat zij mij bevrijd had van den twijfel, voor goed bevrijd nu. Ik wilde haar dit althans zeggen en wendde mij tot haar. Doch Walter trok mij aan mijn mouw mee. — Laat onze arme miss nu met rust, ze heeft rust noodig.

We gingen het park in. In de eerste laan haalden de graaf en zijn beide andere ridders ons in, de graaf met zijn kostbare vellen papier, Frey met zijn schetsboek. De schets was niet veel geworden, nauwelijks een omtrek. De handeling had hem te zeer meegesleept. De oogen van den graaf lichtten; hij drukte mij de hand en zeide:

— Een triomf, nietwaar vriend?

Geen onzer voelde nu de drukkende zwoelheid van den brandenden namiddaghitte; een dolle vreugde was de grondtoon van het gesprek. Men had nog geen tijd na te denken, de versche indruk beheerschte ons nog geheel. Het was de stemming als in de tent van een veldheer na den gewonnen slag, wanneer bloed en stof nog de uniform bedekken, het oog half blind en het oor verdoofd is — maar toch ieder weet dat we overwonnen hebben; men telt de dooden nog niet, weet alleen dat men zelf leeft en voelt zich daardoor verheven boven vernietiging en smart.

Toen we in de hal kwamen, liet de graaf een flesch champagne brengen. De glazen stieten aan op Lilly's welzijn, en de blauwe rook van onze sigaretten krinkelde trots als rook van een half dozijn dolle vreugdevuren naar de oude muren van het landelijke jachtslot omhoog.

En zoo overweldigend was de betoovering van dit uur, dat ik met de vier menschen, die ik eerst sinds even zoovele dagen kende, broederschap dronk — een dolle broederschap, opgegaan boven de barstende, in het niet stortende puinhoopen van mijn heele vroegere leven.

— Nu ben je ook een ridder van den nieuwen geest! riep de graaf vroolijk. — Ja, ik was een ridder van den geest door het bankroet van alles wat ik tot dusver geest genoemd had, door het bankroet der logica van dertig jaren — geen doopkind kon in zijn jong Christelijk geloof naakter zijn onder den wijdenden waterstraal dan ik het was naar de ziel — maar dat was goed zoo en ik wilde het zoo. Deze menschen hadden sinds jaren samengewoond en er zelfs niet aan gedacht vertrouwelijk jij en jou tegen elkaar te zeggen. Nu was de nieuweling, dien zij nauwelijks

16

Sluiten