Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenden, als het laatste ontbrekende gewicht in de weegschaal gekomen en onstuimig brak de lang vèrgebleven gedachte door. En toen we den graaf het eerst op dat idee hoorden komen, gevoelden wij ook juist in dit oogenblik zoo levendig, hoe de genius van den tijd, waarin wij leefden, rang en stand als waardeloos kaf voor zich heenjoeg: wij hadden een waarheid ontdekt en deze eenheid van ons jong weten was de eenige zon, die ons gedoopt had in haar stralenlicht. Wanneer ooit, dan paste op ons die oude benaming van: Ridders van den Geest.

Maar tegelijkertijd gevoelden wij ook allen in dit oogenblik hoe eenzaam, hoe zwak onze positie in de wereld was; het was of een stem, die daaraan vermanend herinnerde, sprak uit het groote zwijgen der natuur, daarbuiten voor de veranda over het park en over het hcele zonnig-warme Spreewoud-landschap.

— Zooals wij nu, zeide de graaf, kunnen slechts mannen zich vereenigen, die in het hart van het donkere werelddeel of tusschen de ijsschotsen van de pool elkaar de hand reiken onder de versleten, maar na eindeloozen arbeid koen op het einddoel geplante vlag. Ze staan alleen, tusschen brullende wilden, die geen flauw vermoeden hebben wat die versleten vlag zeggen wil; tusschen de krakende ijsrotsen, die boven hen kunnen ineenstorten en hen verpletteren. Geen hunner weet of de terugweg ook weer voor hen open zal liggen, of niet de strijd hen allen vernietigen, de natuur hen zal veroordeelen tot den hongerdood, eer ze het bericht van hun ontdekking aan de menschen kunnen brengen. Maar toch: de vlag wappert boven hun hoofd, trotsch staan zij daar hand in hand — waarom zouden ze niet verder overwinnen, gelijk ze tot dusver overwonnen? Ik drink op de geheimzinnige machten van gene zijde des grafs, die met ons zijn.

Een der glazen brak. En wij, die toch het verst op weg waren de oude, zekere wereld der natuurvorschers stuk te breken met een metaphysische, alles mogelijk makende openbaring, — we gevoelden ons toch ook in dit uur nog zóó geheel mannen van het onderzoek, zonder bijgeloof, dat we om de opmerking van den kapitein: — Een slecht voorteeken! lachten en den graaf gelijk gaven toen hij vast en vol overtuiging zei: — Er zijn geen voorteekenen. Er is slechts waarheid — en de waarheid zegeviert.

Uit den gestorten wijn steeg de wilde geur ons nog bedwelmender naar het hoofd ... roes, niets dan roes.

Sluiten