Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

en uur later bevond ik me alleen tegenover het lichtgroene weidelandschap, dat zich van het slot af uitstrekte tot aan de verre roode daken en kerk¬

torens van het landelijke stadje. Frey en de kapitein waren door het park naar de schilderskluis gegaan, Walter had zich in zijn kamer teruggetrokken — er was sprake van een epos, waaraan hij werkte. Mij had de graaf voorgeslagen een eindweegs met hem het bosch in te wandelen; in den hof was hij door zijn rentmeester aangesproken en had mij gezegd maar vast vooruit te gaan en al maar rechts te houden.

Zoo was ik dan alleen en dat verheugde mij. Nog geen stap had ik in dit vreemde landschap gezet als eenzame opmerker. De magie der schoone natuur zou mij helpen de wilde champagnegeesten uit mijn hersenen te bannen, die het mij toch te erg maakten.

Er was echter in de lucht weinig verkwikking. Haar adem scheen stil te staan in dien eenigen, ontzaggelijken wereldbrand. Misschien kwam er wel een onweer, dat de zon zou blusschen, vóór nog de vlakke horizon haar verzengende schijf opgezogen had.

De rijweg, waarop de slotlaan uitliep, ging zoowel naar rechts als naar links naar het woud. Van links was ik toen met den graaf komen wandelen, en rechts ging ik een onbekende wereld tegemoet. Afgaande op het oppervlakkige idee, dat ik mij gevormd had van de natuur van deze streek, dacht ik wel te voet niet ver te kunnen komen. Maar de weg moest toch ergens heengaan en de karsporen wezen uit, dat hij druk gebruikt werd. Het was me een troost nu, na die mengeling van gewaarwordingen, met het stille genieten van een schilder, van een botanicus aan niets te denken dan aan wat mij voor oogen stond.

Sluiten