Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan, maar de gesteldheid van den bodem boeide mijn belangstelling, omdat alles in de plantenwereld rondom mij wees op de grensscheiding tusschen twee gebieden; het elzengebied van het Spreewoud was hier teneinde en de naaldboomen verrezen rechts op hun zandigen bodein, hier en daar door een korenveld afgewisseld. En dan voelde ik mij zoo gelukkig in deze volkomen eenzaamheid, de koele lucht op deze hoogten woei zóó verfrisschend tegen mijn warm voorhoofd, dat ik nu voor geen geld ter wereld zou hebben willen omkeeren. Die heele zenuwschokkende geestesstrijd lag nu ver achter mij. Mijn vermoeide zinnen herwonnen steeds meer de verloren kracht.

Heel plotseling hield het bosch aan mijn linkerhand op en boven een labyrinth van braamstruiken verhief zich een nieuw beeld: de windmolen.

Tusschen den heuvelkam, waarop ik wandelde en den aardrug, die haar droeg, golfde een korenveld. Groot, dom, echt een belachelijke reus uit Don Quichotte, verhief zich de vierhoekige, zwarte kast met het ongeloofelijk nietige onderste! en de dol gerekte armen zonder handen tegen den vaalgelen onweershemel. Het scheen de eenigste groote molen van deze soort in den omtrek te zijn; in het Spreewoud waren niets dan watermolens. Ongetwijfeld was het hetzelfde monster, dat ik reeds aan gene zijde van het dorp met zijn spinnenvingers boven den heuvelrand had zien bewegen. Die molen moest het kenmerk zijn van het dorp in een zeer wijden omtrek. Als een eenzaam spook vocht hij daarboven met de suizende lucht, als een dwaas, bespottelijk spook. Ik dacht aan een ouden geheimraad uit een Berlijnschen gezelschapskring, die met stijve armgebaren jaar in jaar uit voor dezelfde onvruchtbare opinie vocht. Dit zwarte monster had iets van hem. De scherpe silhouet vergrootte alles en ik dacht nog nooit zulk een kolossalen windmolen gezien te hebben. Men had kunnen meenen dat zijn enorme wieken den wolkennacht naar voren zweepten, die loodrecht boven hem omhoog steeg, steeds hooger. Een gruwzaam-schoon schouwspel, zulk een omhoog klimmend onweer, waarin nu eens hier, dan weer daar iets trilt als een gloeiend zwaard. Hoe anders dan eergisteren in de stad! Hoe anders was heden ook alles in mij!

De wind greep wild in mijn haar, een ruk haalde me het eindje sigaar uit de handen en bijna ook den hoed van het hoofd. Steeds vreemder schoven vóór mij de cou-

Sluiten