Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lissen over elkaar. Nogmaals worstelde ik mij met toegeknoopte jas, de hand aan den hoed, de oogen brandend van het stof, over een heuvelrug heen. Bij een bocht dook de windmolen weg. De wolkenkolossen stapelden zich nu in het zenith op, de donder rolde loodrecht boven mij. De horizon was rondom één vaalgele zwavelgloed. Nog een oogenblik en de regen, dien ik reeds in de verte als een schuin traliewerk op mij toe zag komen, zou boven mij zijn.

In dit oogenblik was ik aan den bovensten heuvelrug ... voor mijn blik lag opeens, als een fata morgana, een uitgestrekt, door den storm schuimend opgezweept meer, geen klein waterovaal, doch een machtig, zich in de verte verliezend golvenvlak. Aan den oever eene rij berken, woeste, knoestige stammen, welker wit afstak tegen den zwarten spiegel, het loof in fladderende guirlanden over het water waaiend. De andere oever, hoog en zwart, een machtig pijnwoud, dat de wolkenmassa scheen te dragen.

Woud, niets dan woud, en door het plassen der wilde golven heen was het, als hoorde men het doffe dreunen der sidderende woudreuzen. Op dit oogenblik flikkerde een groote, blauwgroene bliksem, en met een ratelenden donderslag kletterden de eerste dikke druppels op het gras. Ik rende naar de berken, maar even dik als hun stammen waren, even arm aan beschutting was dit, naar het meer heen verstrooide loof. Opeens bemerkte ik een kleine, zwarte holte, onder het uitgegroeide wortelvlechtwerk van den naastbijzijnden berk — een gedachte schoot mij door 't hoofd . . . voor mijzelf was deze enge ruimte te klein, maar in deze wildernis, waar geen tweede menschenziel zich

bevond als ik mijne kleederen hier eens borg, en zelf

het water insprong? Zoo gedacht, zoo gedaan, 't Was niet de eerste maal, dat ik mij, tijdens een onweer, in 't water bevond. Welk een zaligheid, zich na de hitte en den zengenden gedachtenbrand, in den zomerlauwen vloed te storten! En deze eenzame plek was geschapen om te baden. Toen ik de kleeren weg had geborgen, voelde ik mij vrij als een antieke God. Nu mocht er een wolkbreuk komen — ik wenschte dat zelfs. Ik rekte de armen uit — deze hemeldouche was verrukkelijk. Nog éénmaal, vóór nog geheel onder te dompelen, liet ik den blik gaan over het diep-donkere vlak, tot aan den anderen oever. Alles één zwarte massa. Maar dicht aan den oever, schijnbaar reeds zwevend op den spiegel, ontwaarde ik een schijnbaar onbe-

Sluiten