Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trilde een blauwgloeiende bliksemstraal, en 't was, alsof zijn vlam recht door de blindend-witte vlam van dit naakte menschenlijf sloeg, om, ermee vereenigd, in de gapende diepte te verzinken. In dollen overmoed, en terwijl de woeste golven ons vanzelf oversproeiden, begon de wilde nix mij nog, met de vlakke hand, water toe te gooien. Ik antwoordde met hetzelfde spelletje, en zoo bevonden wij ons opeens schouder aan schouder. Even beroerden mijn vingerspitsen de ijskoude, en mij toch heet doortrillende, armronding. Bij die aanraking gloeiden haar groote, vochtige oogen nog verterender.

— Gij zwemt goed, zeide zij, met een licht beven in haar diepe stem, — was dit door de inspanning van den wedstrijd, of door het hartstocht-wekkende gevoel van de nabijheid des mans? — Maar nu is het genoeg, ging zij voort, tot aan de lippen in het water wegzinkend.— Ziet ge? het wordt avond. Ik dacht niet dat ge zoo goed zoudt zwemmen, omdat ge niet roeit. Ach — zoo goed — in zulk weer?

Wij schommelden een minuut lang verder. Ik was haar blik gevolgd — werkelijk, achter de boomen, opende zich een stuk avondblauw. De zon was ondergegaan, een enkele ster flikkerde mat. De regen spatte nog in enkele druppels over ons heen, een ruischen trok mijn blik weer terug, Lilly had zich omgekeerd; haar blik hield mij op een afstand; ik zwom langzaam achter haar heen. — Nog éénmaal liet ze mij dichtbijkomen, en lachte, maar niet met den weeldelach van eerst. — Zij stiet hare hand in het water tegen de mijne, en zeide: — Nu, adio, waterman. Je zwemt werkelijk heel goed. Als wij aan land weer menschen zijn, moeten wij weer verstandig worden. Maar we kunnen wel samen naar huis gaan. Kom mij straks maar tegemoet.

Weer verstandig? Waren wij dan onverstandig geweest? Het watervlak scheen mij, toen ik langzaam naar den oever toezwom, op eenmaal ledig. — Aan den oever gekomen, kon ik niet besluiten, mijne kleeren uit de holte te voorschijn te halen. Ik leunde tegen den witten berkenstam, speurend naar de zilverplek, die ik voor een reiger had gehouden. Maar slechts de pijnboomen verhieven zich als hooge, zwarte muren uit het nevelige meer. Er was iets over mij gekomen, waarvan ik mij nog geen rekenschap geven kon, en dat ik het allerminste verwacht had, na de gedachtenwarrelingen der laatste dagen. Was deze zieneres, dan gelijktijdig ook een vrouw, die de harstocht der mannen

Sluiten