Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opwekte? — Na het geweld der donderslagen, was nu geen geluid hoorbaar in de wijde stilte. Een verlangen kwam over mij, ook toen ik eindelijk aangekleed was — een zoete moeheid, alsof ik hier nog urenlang moest zitten droomen, maar sterker was de wensch, weer tot de vrouw te komen, die ik in de golven verlaten had. Met slependen tred ging ik op weg, langs een weinig betreden, bijna onbegaanbaar pad, en nu eerst genoot ik de heerlijkheid der gezuiverde lucht. Plotseling, zonder dat ik een geluid gehoord had, stond Lilly vóór mij; ze droeg de roodzijden blouse, die ze bij onze eerste ontmoeting gedragen had, de stroohoed hing aan haar arm, het lange haar golfde los over den rug. Zij gaf mij een koud handje, en lachte. Ik bood haar mijn arm, daar de weg voor twee anders niet begaanbaar was. Zij vleide zich even rustig tegen mij aan, als gisteren in de boot! Zij lachte, als ik de takken terugboog en de regendruppels over ons heen spatten, maar overigens was zij stil. Ik had soms een wild verlangen, mijn arm vast om haar middel te slaan, en een kus op het natte, sterk geurende haar te drukken. Op een steile plaats, waar het avondblauw niet door het dichte loof kon dringen en het schemerig was, bleef zij plotseling staan, en trok haar arm terug. Hoewel ik haar gezicht niet duidelijk zien kon, merkte ik toch, dat het langzamerhand star werd. De oogen sloten en openden zich, en keken daarop groot en angstig mij voorbij, links het bosch in.

Ik keek in die richting, maar zag niets. Spookachtig duister lag over de twijgen.

— Wat scheelt u, miss Lilly?

Hoewel ik hoegenaamd niets bizonders bespeurde, overviel mij toch een huivering.

— Kreeg Lilly een aanval — nu — hier — in de eenzaamheid ? Zij, die mij daarjuist als vrouw zoo nabij was geweest, was nu mijlenver van mij verwijderd, sedert zij mij niet meer aanzag, doch in het ledig staarde. Met een heftigen ruk knelde zij mijn hand, dat het mij pijn deed, en de vingers der rechterhand kromden zich gelijktijdig in de bast van een dichtbijzijnden boom. — Daarop, met schrille stem: — O, mijn God, mijn God, ziet ge dan niet, dat het brandt — de vlam, daar, die vlam — overal in het bosch — o — zoo rood.

Onwillekeurig keek ik in de rondte. Even scheen het mij ook toe, of een felle schijn over 't duistere woud lag — neen, ik bedroog mij. Maar een scherp beeld kwam

Sluiten