Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaats van den brand. Waartoe die haast? Wilde zij helpen? — Als een opnieuw zich verheffenden onweersnacht breidden zich de wolken van walm over de boomkruinen. Overal een roepen en loopen van menschen. Uit de vaalverlichte velden, het nevelgrauwe bosch, dat zijn duistere boomtoppen als een ver spook naar den gloed uitstrekte, kwamen haastige gestalten te voorschijn, een gewemel van vrouwen en kinderen en mannen, kindergeschreeuw en hondengeblaf, alsof voor 't eerst leven was gewekt uit dit doodstille land. Verder dan tot den ingang der dorpstraat kwamen wij niet door de opeengepakte menigte. Maar over de rood bestraalde hoofddoeken der meisjes heen, zagen wij Jde balken van den nok branden, waaronder uit holle vensters de vlam loeide. Brandende twijgen van verkoolde vruchtboomen dwarrelden op in de heete lucht. Mannen, die huisraad uitdroegen, drongen ons tot de eiken terug. Er viel niets te helpen, wat brandde, brandde af, en er was geen wind. Wij wachtten tot de balken waren ingestort; toen ik weer terug wilde gaan, voelde ik mij weer door Lilly vastgehouden. — Kijk eens, — o, kijk eens! — Aan den voet van den tweeden reuzenstam lag het geredde huisraad, waarvan enkele dingen door de haast zelfs in een regenput waren gegooid, toen zag ik, wat Lilly bedoelde. — Ietwat van den grooten hoop verwijderd lag de slijpsteen, het houten onderstel was half verkoold, half nog groen geverfd.

— Ah zoo! zei ik, van zins Lilly alles te vertellen, maar toen ik de keten aaneen wilde schakelen kwam de heele zaak mij vreemd voor. Toen ik zweeg, begon Lilly zelf te spreken; en wandelden wij, arm in arm, naar het grafelijke bosch terug. Zij vroeg naar bizonderheden uit mijn verhaal van het tweede gezicht, dat haar gisterenavond hoegenaamd niet scheen te interesseeren. Zij steunde daarbij zwaar op mijn arm, en had in haar heele wezen iets gedrukt onderworpens; ze sprak zacht, alsof een onbekende ons gesprek had kunnen beluisteren, 't Bleef mij wonderlijk te moede op onzen terugweg. Alles — mijzelf — Lilly, alles kwam me donkerder en raadselachtiger voor dan ooit. Maar ik voelde mij niet treurig daarbij; ik was trotsch op deze volheid van mystieke gebeurtenissen. In 't bosch liepen wij zwijgend naast elkaar, het paadje nam al onze aandacht in beslag — soms moesten wij lucifers aansteken, om te zien, hoe het verderliep. Wie van verre die opvlammende lichtjes zag, moest wel aan boschgeesten denken. Voor de huisdeur gekomen, reikte Lilly mij de hand tot afscheid. —Ik

Sluiten