Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Wel, hebt ge berichten omtrent uw armen vriend ? vroeg de graaf, toen ik den brief haastig ineenfrommelde.

— Dat niet zoozeer. Maar ik moet morgen naar Berlijn. Ik ben 's avonds weer terug, denk ik, het is maar voor een kleine aangelegenheid.

— Morgen? Dat treft. Ik moet er morgen of zoo toch ook heen, dan gaan we samen, dat is

Lilly viel hem op haar ongegeneerde manier midden in den zin in de rede:

— Ja, als dan toch iedereen uitrukt, dan zijn de heeren wel zoo goed, dat ze Lilly mee willen nemen?

— De tandarts, weet u, voegde zij er aan toe voor den graaf — met een blik, welks zwijgende vraag deze eveneens zwijgend met een hoffelijke buiging scheen te beantwoorden.

Hiermede was de zaak afgedaan en Walter begon ons bijna een uur lang uit zijn epos voor te lezen, dat vele goede kwaliteiten had, maar waarin niet veel echte poezie stak. De kapitein leverde daarna een eindelooze, pedante kritiek die niemand anders aan 't woord liet komen en waarin hij de eene dwaasheid op de andere stapelde. Op een anderen tijd zou ik hem misschien met vuur tegengesproken hebben, nu rookte ik zwijgend mijn sigaar en luisterde.

Toen we 's avonds uiteengingen, zei de graaf: — Ik laat morgen vroeg wekken. Maar nog een ding vooraf: ben je in den namiddag bezet in Berlijn?

— Niet in 't minst.

— Mooi. 't Is namelijk om Lilly. Ik ga naar een kennis, waar ik haar liever niet brengen zou. Kunt ge haar na den middag niet in je vaderlijke hoede nemen? Dan gaan we 's avonds samen weer naar huis.

— Ik zal mijn best doen. Wel te rusten!

Toen ik de trap opging, voelde ik opeens, dat ik mij op den komenden dag verheugde. Maar toen ik boven den kleinen, saamgeknepen, koelen brief van Thérèse onverschillig tusschen de boeken en de papieren op mijn schrijftafel wierp, wist ik duidelijk, dat dit geluksgevoel niet uit deze richting kwam

Sluiten