Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kort duurde; als zij buiten al eens op het trottoir heen en weer liep? Ik hield het niet uit in de duffe zaal, en ging met mijn glas op de veranda zitten, vanwaar men het geheele plein overzien kon. Half twaalf; ieder oogenblik kon Lilly's roode blouse uit het gewoel daarbuiten opduiken.

De wijzer der klok had half overschreden. Zwart werd de hemel, er was een fllinke regenbui op komst, en Lilly had geen parapluie. Thérèse kwam niet, dus waartoe diende langer wachten?

— Kellner — betalen! Op 't oogenblik, dat de kellner mij 't overschot van een mark voorstelde, kwam een rouwsluier aanwaaien, daar was zij dan toch — Thérèse. Ik zou haar bijna niet herkend hebben, zoo was zij veranderd. Reeds de krippen sluier, de donkere kleederdracht gaven haar iets vreemds. Het arme meisje was nooit een schoonheid geweest, maar nu waren de wangen aschvaal, de oograndjes rood ontstoken, het haar, dat onder den sluier uitkwam, grof en bestoven. De kellner stond nog tusschen ons in, toen wij elkaar, over tafel heen, de hand reikten, waardoor onze begroeting uiterst vormelijk werd. En toen de lastige frak verdwenen was, scheen het, of de doode, die ons als levende had samengebracht, nu scheidend tusschen ons stond.

— Ik ben lang uitgebleven, je stond op 't punt om weg te gaan.

— O, heelemaal niet, ik wachtte gaarne. Deze leugen mijnerzijds leidde het gesprek in. Ik bestelde voor haar een glas wijn. Een heer aan 't tweede tafeltje keek, achter zijn krant, tersluiks naar ons, hij moest elk woord kunnen verstaan.

— Arme Thérèse, wat zie je er nog ziek uit!

— O, Wilhelm, je weet niet, je kunt niet gelooven, hoe het — o, hoe, hoe ... Ze nam haar zakdoek en schreide. De heer tegenover ons liet zijn krant zakken. Hij hinderde mij. — Wees toch kalm, Thérèse. Je moet ook niet boos op mij zijn, ik kan niet meer komen. — Dat heb je mij immers geschreven. Zij poogde hare tranen te onderdrukken. Mijn linkerhand lag op tafel, onwillekeurig greep zij daar naar, als om zich aan iets vast te klemmen. De vreemde heer stond op en riep, tamelijk luid, om den kellner. Hij keek zeer ernstig, en wilde zeker uit kieschheid weggaan, misschien ook, omdat de aanblik van het schreiende meisje hem stoorde in het verduwen van zijn ontbijt. Maar vóór een twintigmarkstuk gewisseld was, verliep weder een geruimen tijd, waarin de kellnersfrak opnieuw tegen Thérèse's

Sluiten