is toegevoegd aan uw favorieten.

De godin van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stoel stond, en een intiem gesprek onmogelijk maakte.

Zeg mij eerst eens — begon ik, na een lange pauze hoe het duel is ontstaan? — Dat heeft Frits je toch geschreven. — heeft mij niets geschreven, ik weet absoluut niets. Vertel mij van 't begin af aan. Op den avond van je verjaardag wist Edmond toch nog nergens van? — Zij sprak nu uitvoerig over dien avond, — hoe zij op ons gewacht had o, zoo lang... ze kon niet vermoeden, hoe mijne gedachten zich steeds verder van haar verwijderden. Ik keek, terwijl ik naar haar luisterde steeds het plein over, en aanhoudend leek het mij toe, of daarbuiten Lilly's gestalte opdoemde — de roode blouse, de breede schouders, de slanke heupen, de meisjesachtige vlecht, die aan deze vreemde vrouw iets zachts en kinderlijks gaf. Maar ik wilde mij dwingen, nu alleen voor Thérèse daar te zijn. Edmonds noodlot interesseerde mij toch sterk — als zij maar niet zoo uitvoerig verder vertelde, een oude eigenschap van haar, die Edmond wanhopig kon maken. Vóór alles vertelde zij uitvoerig van haar eigene gewaarwordingen. Zij had een voorgevoel van komend ongeluk gehad op den avond dat zij ons vergeefs verwacht had. Toen dus, dien morgen, de telegrambesteller voor 't eerst kwam, had zij van ontzetting wel door den grond kunnen zinken. — Haar stem beefde, haar opwinding nam toe, zij raakte in de war, en brak opnieuw in tranen uit... de kellners aan den ingang van het buffet staken de hoofden bij elkaar, zelfs verafzittende gasten keken om naar het snikkende meisje. — Laat maar, Thérèse, liet grijpt je nog te sterk aan, vertel nu maar niet verder, kom, arm kind wees een beetje kalm, drink een slokje wijn. Ik zocht haar op alle manier te troosten, en vroeg niets meer. Ten slotte hoorde ik niets nieuws, dan dat Edmond in de spoorwegcoupé met den assessor twist gekregen, en hem zelf uitgedaagd had. — Ongelukkig verscheen nu werkelijk, in het straatgewoel, Lilly's roode blouse, zij scheen haast te hebben, zeker om ergens beschutting voor den regen te zoeken. Nu was het zoo goed als zeker, dat wij ons mooie plannetje om den namiddag samen door te brengen, moesten opgeven. Thérèse scheen gemerkt te hebben, dat ik het plein overstaarde. Zij volgde de richting van mijn blik, en kreeg plotseling de klok in 't oog. — Ö, maar het is hoog tijd, ik moet naar 't station. Ik riep den kellner en wij braken op. Buiten op het plein gaf ik haar een arm, zij vleide zich, in 't gewoel, vast tegen mij aan — maar haar smalle arm lag koud en vreemd op de