Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijne, ook hielden wij geen gelijken tred, dit samengaan was meer een kwelling dan een prettige intimiteit. Een andere, die ik misschien voor den ganschen dag verloren had, hoorde onder deze parapluie. Gek, dat we niet beter afgesproken hadden, en niet voorzien hadden, dat het zou kunnen regenen. Ik nam een formeelen stormpas aan, alsof ik de lang-verdwenene toch nog zou kunnen inhalen, en, mijn gedachten geheel en al bij Lilly, merkte ik niet, dat we reeds aan den hoek der Friedrichsstraat waren gekomen, zonder dat iemand een woord gesproken had. Ik zag niemand der voorbijgangers aan, maar op eens stond een heer, glimlachend groetend vóór ons.... de graaf.

— Nu, dat is óók toevallig... andere richtingen uit, en toch elkaar ontmoeten in 't groote Berlijn!

Ik stelde hem Thérèse voor, die hij zóó hartelijk zijn deelneming betuigde, dat het haar zichtbaar goed deed. Hij scheen te merken, dat er iets pijnlijks tusschen ons was, waarbij de tegenwoordigheid van een derde verzachtend werken kon; hij keek op zijn horloge, en vroeg of hij ons naar 't station mocht vergezellen. Ik vond het heerlijk. Hij ging aan Thérèse's andere zijde loopen, den ganschen weg over hoffelijk met haar pratende.

Eindelijk, dicht bij 't het station had hij het arme, door de omstandigheden, en zeker ook door mijn koele bejegening, ontmoedigde meisje zóó ver gebracht, dat een vriendelijk grapje van hem een lachje tooverde op haar bleeke gezichtje. De trein stond voor. — Goede reis, mejuffrouw, zei de graaf, den kleinen, zwarten, wollen handschoen drukkend.

— Tot een vroolijker wederzien in Berlijn! Komt ge weder in de Mark, weet dan, dat ge ook bij mij buiten van harte welkom zijt. Wilhelms vriendin vindt in 't Spreewoud ook hare vrienden. Goed succes met het examen. Gij laat ons toch door Wilhelm den uitslag weten. En vóór alles 't hoofd omhoog! Na dit rouwzwart komen wel weer betere kleuren.

Zij dankte hem nogmaals met haar geduldig lachje. Toen zij mij daarop de hand gaf, was haar oog omfloersd. — Vaarwel, Wilhelm. En veel dank, dat je zoover voor mij bent gekomen, 't Was mij, of de groote, zwarte, ijzeren koepel van 't station op mij neerstortte... ik voelde dezen dank niet in 't minste verdiend te hebben. Ik kon ook niets anders tot afscheid zeggen dan: — Goede reis — tot weerziens! De conducteur sloeg het portier toe, we ston-

Sluiten