Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zee ... mijn hand tastte onwillekeurig naar de koude metalen kolom van een lantaarn, om een steun te zoeken. Daar deed mij opeens een schertsende tik op mijn schouder opzien.

— Dat staat me daar! Zeker weer philosophische overdenkingen, o, wat een galante ridder! Als Lilly meneer ook niet van de rugzijde kende ...

Ik had ze — en was meteen wakker. Hare arm lag op den mijne — en toen ik haar vroeg of zij niet nat geworden was, bemerkte ik eerst, dat het heelemaal niet meer regende. De strook lucht boven de straat was niet meer grijs, maar witachtig en er trilde een stralend licht door, dat het oog verblindde. En de straat weerspiegelde dit licht in fonkelend brons; alles scheen vroolijker en levendiger.

Toen we op den hoek van de Leipzigerstraat een boeket meiklokjes kochten, scheen het mij als vlood de bloemengeur op eenmaal als bevrijd over de heele straat. Door het teere witgroen met de zwellende knopjes op de strakke, roode zijde van haar borst kwam er iets frisch in Lill'ys verschijning, een brok Spreewoudbetoovering, waarvoor het alledaagsche van de groote stad verdween als een vuil spookbeeld.

— Waar nu naartoe? vroeg ik.

Zij lachte opgeruimd. — Overal heen!

Ik bezon me een oogenblik. — Goed, laten we eerst gaan dineeren — daartegenover, in de «Stad Athene.»

Het wijnrestaurant van dien naam lag schuin tegenover ons aan den anderen kant van de Leipzigerstraat. We moesten ons dwars door de geweldige rijtuig- en wagendrukte een weg banen op de gevaarlijkste piek.

Maar Lilly scheen geen angst te kennen. Thérèse had zich in de drukte op het Leipzigerplein tegen mij aangeklemd als een drenkeling aan een plank in een maalstroom. Lilly schreed opgeruimd door het oorverdoovend rumoer, als was het een toer in een contradans. Haar groote oogen keken rustig de straat in — nu eens rechts, dan weer links .... de neergebogen, natte kop van een paard raakte ons bijna, zij hief slechts even haar hand op alsof ze hem streelen wilde. Toen we aan den anderen kant waren, zei ze: — Zoo'n paard is verstandiger dan een mensch, het loopt niemand onder den voet.

— Kunt u met paarden omgaan, miss Lilly? vroeg ik, terwijl we onder het duistere gewelf van het in den tuin gelegen restaurant doorgingen.

— Lilly temt de dolste dravers, geloof dat gerust.

Sluiten