Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de glazen deur — er zaten maar heel weinig, zacht sprekende of ook wel geheel zwijgende menschen in de zaal, een paar oude jonggezellen, zonder Kerstboom, twee gelegenheidspaartjes, die zich met denzelfden leegen liefdesleugen over dezen avond heenzetten als over iederen andere. Het was of van het koele blauw van het zeegezicht, van de naakte danseressen in bleek geel, van de verbleekte, grafachtige spreukenwijsheid op de muren een Vreemde koude neerviel — het was het laatste bankroet van alle Kerstnachtwarmte, in bleeke kleuren geschilderd als op de aschgroeve van een Pompejische stedencatacombe, waaraan in dit gewijde uur des harten geen vurige wijn leven kon geven, terwijl daar buiten zelfs in het kleinste kamertje der wereldstad de glans der lichten van den Kerstboom weerspiegelde in reine kinderoogen. En toch mocht ik zulke contrasten vaak wel. We spraken over Kerstmis in 't algemeen.

— Ik ben zonder godsdienst opgevoed, zei Lilly.

Ze scheen niet graag bij dit thema te toeven. Ik had gesproken over minnende paartjes, daaraan knoopte zij het verdere gesprek vast. Ik zei hoe ik over de arme schepsels dacht, die door den maalstroom des levens op straat geworpen waren. De ervaring had mij ten haren opzichte zeer mild gestemd. Men moest de verhoudingen, de maatschappij beschuldigen, aan haar was alles te wijten, niet aan de slachtoffers zelf. De man werd er het slachtoffer van; hem hield in de beste jaren van zijn leven de misère van onze sociale misstanden van het huwelijk terug of wei maakte het hem tot een hel. De vrouw was reminder het slachtoffer; dezelfde misère vernederde haar hart tot een koopwaar en met haar verkochte liefde moest ze haar honger stillen. °

Lilly had haar bord teruggeschoven en luisterde heel ernstig naar mij, met de hand onder haar kin en een ze!dzamen glans in haar oog.

Dat is mooi, zeide zij eindelijk. Zoo zacht over de dingen denken, maakt alles anders. Maar, mijn vriend, dat doet niemand. Jullie, philosophen, gebruiken mooie woorden, maar als 't er op aan komt, zijt ge net als alle andere menschen. •

Ik sprak tegen, zij glimlachte, en schudde het hoofd. Daarna stak ze mij opeens de hand toe, zonder mij aan te kijken. Ja, 't zou mooi zijn, en misschien zijt gij beter. Overigens, zijt gij nooit in Amerika geweest? Zij wilde

Sluiten