Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

tation Grünewald. — 't Was of de trein aileen voor ons stopte aan het eenzame perron. Zoover de blik reikte, was de grauwe, vuile zandgrond, één moeras¬

sig meer, waarin de nieuw-geplante boompjes schenen te verzinken. Aan den hemel zilvergrauwe wolkenmassa's, die soms als zwarte sluiers afhingen, dan weer verschemerden, waardoor de zonneschijf even zichtbaar werd als een bleeke lichtvlek.

Wat nu? rechts of links? Zoover ik wist, lag links een boschmeertje, en daar achter, geen halfuur ver, eene restauratie. Ik dacht over Schildhorn het station Westend te kunnen bereiken.

— Wij zijn toch vrij! zeide Lilly, komen wij te laat, dan valt nog de hemel niet in. — Ja, wij waren vrij! Ik wist, dat ik niet op 't horloge zou kijken.

Buiten 't station lag de gansche, feestelijke wereld der dennenbosschen vóór ons. Wegwijzers haast aan eiken stam, maar geen weg. Alles zoo gansch anders dan in het Spreewoud: ondanks de duizenden boomstammen hel, open, niet spookachtig, maar diep ernstig. En de ernst van dit stille landschap kwam over ons als een wonderbare droom, wij liepen een lange tijd zwijgend voort, dicht gearmd. Misschien was de ernst in onze stemming gevaarlijker dan dolle scherts; evenals in de zwarte wateren van 't onweersmeer voelden wij ons zoo met ons zelf alleen in de wereld; er bestond voor mij niets meer dan de vrouw, die naast mij liep, wier adem ik voelde, wier kroeshaar bijna mijne wangen beroerde. Maar deze ernst was niet beangstigend, 't was een stil zich-laten-gaan — 't was mij, in de warme, nevelige lucht te moede, alsof wij zelf ook een stuk bosch waren. — Nooit had ik van een menschelijk wezen zóó het gevoel gehad, dat het hoorde

Sluiten