Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de natuur, als bij dit wondere menschenkind met haar groote, diepe oogen, haar fieren stap — en haar zwijgen.

Om ons heen geen overdadige, groene guirlanden; iedere den een trotsche vesting op zich zelf. Het kruisnet van paden geelrood van afgeregende dennenaalden, hier en daar afgewisseld door een stukje weide. Hier en daar tusschen de dennen een vereenzaamde eikenkolos, de lucht grauw, en overal eenzelfde ruischen, als het ruischen der woudstilte zelf. En onafgebroken neerstralende landregen, in welks bevruchtenden nevel het woud scheen te baden. Dit woud, dat op heldere zomermorgens een lustig meisje in lichtgroen kleed scheen te zijn, had nu zijn arbeidsdag, zijn dag, dat het met forsche kracht in iederen tak, in iederen wortel het opwellende vocht opzoog en zich nieuwe levensvolheid verzamelde. Arbeid, ook hier; slechts wij hadden Zondag. Talloos lagen op de paden verspreid: de resten van het Berlijnsche philisterdom, verwaaide overblijfselen der Zondagnamiddagsfeesten, bont als de rommel kist van een theatergarderobe: witte eierschalen, roodgele sinaasappelschillen, matgroene splinters van selterwaterfleschjes, een goudgerande porceleinscherf.een roestig lepeltje, een stuk brood, en daartusschen papier in alle kleuren.

Lilly's lachen kletterde vroolijk over dit alles heen, en, toen we weer over zulk een hoop scherven waren geklauterd, zei ze met plotselingen ernst: — Wat zijn deze' menschen dwaas, en toch geloof ik dat ze zéér, zéér gelukkig zijn.

Ik drukte haar arm vaster, was ons niet een gansch ander geluk geschonken? Zij liet zich dien druk welgevallen, en legde zelfs haar hand nog op mijn arm, maar haar oogen bleven neergeslagen, en nogmaals zeide zij —: Ja, zeer gelukkig, deze menschen.

Na een poosje keek zij mij plotseling aan, met een wondere zachtheid in zijn blik. Ik greep haar handje en drukte er een kus op. Zij liet het toe, en bleef zachtkens lachen.

— Zoo, zoo, mijn vriend, de philosophie gaat aldoor verder, hé? — Nu keek ze mij weer vreemd aan, niet koel of streng, maar vreemd. Zij trok haar hand langzaam terug, en wij gingen verder.

Het woord «philosophie» in scherts gebruikt, klonk ernstig in mij na. Mochten wij, die op den drempel stonden eener nieuwe waarheidswereld, mochten wij liefhebben als een jonge student en een meisje uit het volk, dat niets bezit dan hare frissche lippen? In al de woeste onstuimigheid van mijn ontwakenden hartstocht, voelde ik toch nog vaag, dat hier

Sluiten