Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts diepe, echte liefde recht van bestaan zou kunnen hebben.

Wij spraken over Berlijn en Parijs, over plaatsen, die wij beiden gezien hadden. Een uur lang was tusschen ons een wonderzoet gevoel van geestesgemeenschap en spraken wij niet over liefde, hoewel wij toch als gedragen werden door een warme, wellustige zaligheid. Om ons het woud, groot en zwijgend. De regen had opgehouden, maar nog verborg zich de zon, alsof zij het halfdonker dezer woudeenzaainheid schuwde. Ik bedacht wei, dat de wijzer van den dag vooruitging, terwijl wij spraken over de zee, en 't lustige leven aan 't strand — nooit zouden wij op tijd bij den graaf komen. Maar wat gaf dat? Al zou dit pad doorloopen tot de grenzen der wereld, ik zou er blij om zijn. 't Was of mijne liefde tot deze vrouw reeds alle grenzen te boven ging, zooals Lilly's geest boven de menschen en al hun menschenwijsheid ging. Wij hadden een heuvel beklommen, en keken vrij uit over 't geurige dal, en een klein, zilveren meer. Een oneindige, zachte kleurennuance lag over het geheel, honderd afwisselingen van schaduw en groen in den kring van dennen rondom. Wij rustten even op een paar pas-gevelde stammen. Zij zat, diep voorovergebogen, met de ellebogen op de knie, in de eene hand de dichtgeslagen parapluie, waarmede ze kringetjes in 't zand irok. Wij spraken nu over de nieuwe litteratuur, en ook over Fransche realisten. Zij had kort geleden Sapho van Daudet gelezen. Zonder het te willen, kwamen we daarmee weder op een erotisch thema, op de waarde of onwaarde van vrije verbintenissen. Ik bestreed, dat het verzet tegen de conventie noodwendig tot een conflict moest leiden. Waarheid en eerlijkheid, daarop kwam alles aan. Het tragische in Sapho lag niet in den vrijen vorm der verhouding, maar in den innerlijken leugen, die gewoonte stelde in plaats van de liefde. Deze leugen kan evengoed een wettig kwoelijk vergiftigen; het probleem was een waarheidsprobleem, en stond hoog boven het kleinzielige conventie-probleem.

— U spreekt weer goed — heel goed — en zoo zachtmoedig als de bijbel, zei Lilly, zonder 't hoofd op te beuren. Een staalblauwe kever kroop, dicht bij haar parapluie, door 't zand, zij gooide hem spelend om, en liet hem een tijdje op den rug spartelen — jawel, maar zeg mij eens: lk heb eens een andere roman gelezen, den titel weet ik niet. Maar de geschiedenis was zóó: twee hebben elkaar lief, maar hij weet niets van haar vroeger leven. Nu had zij vroeger veel menschen bedrogen, hem ook in 't eerst, geloof ik.

Sluiten