Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vandaag niets, — een lieete, onstilbare gloed verteerde mii ik zag niet meer alleen twijfelend en bewonderend op tot de tooveroogen mijner gezellin; haar warme hand lag in de mijne, en het verlangen naar de vrouw was sterker dan al t overige. Lilly zou de mijne worden, in welken vorm en door wien gezegend, wist ik niet en overwoog ik ook niet. s

Toen onze dampende glazen opnieuw waren gevuid tegen elkaar klonken, zei ik met een lach, waarin eigenlijk diepe ernst trilde: - Wat dunkt je, wij noemen elkaar Lilly en Wilhelm, zuilen wij nu dat stijve «u» ook maar niet weglaten? — Je bent een booze man, maar wat zal illy doen. Alle geesten zeggen jij en jou, waarom niet wij ook, die nog leven? Ik voelde mijn trots bevredigd, dat e zieneres zelve, die geheimnisvolle, ongenaakbare vrouw vertrouwelijk je en jou tegen me zou zeggen. Ik was de eenzame wildernis ingetrokken om te leeren, om mij deemoedig te buigen voor de nieuwe openbaring, voor een nieuw, zaligmakend geloof aan een heil, dat niet van deze wereld was. En ik zag mii overwinnaar juist in het aardsche, menschelijke, ik voelde de hand, die den sluier dier geestenwereld voor ons opheffen

zou. menschelijk warm, liefhebbend, in de mijne rusten,— de stroom ruischte, de verre zeilen gingen mee op het schuim zijner golven, — en het was goed zoo, het moest zoo zijn. ten minuut lang leunde Lilly haar kroeskopje tegen mijn schouder in zalige vergetelheid. De kellner kwam, zij trok he hoofd terug, maar het was, of die druk daar een aantrekking gewekt had, die ons beiden voortaan onverbiddelijk vereenigde. O - nu te rijden - in eene koets - door het donkere, regendruipende woud ... alleen maar zoo hoofd aan hoofd ... ik wilde immers slechts dat... maar dan ook langen, langen tijd. De weg te voet naar het station terug, in koude en storm, leek mij opeens geheel onmogelijk. Ik riep den kellner. Neen, er was geen gelegenheid van hieruit. Het station Westend was nog veel verder, dan ik gedacht had. Maar er was nog mogelijkheid, dat wij mede terug konden keeren 111 den grooten gezelschapswagen der fideele bende binnen waarin nog een plaatsje over was. Ik ging naar de zaal, om het te vragen, en de zaak was gauw beklonken. De kellner moest het met den koetsier over de kosten eens worden en in elk geval zoolang wachten tot algemeen opgebroken werd.

Na een minuut was ik weer alleen met Lilly, 't Wachten was niets, wij vonden den graaf toch niet meer. De regen

Sluiten