Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

richting. De dubbele lantaarnrijen van den Charlottenburgerweg, verloren zich hier in naar beneden als twee evenwijdige vuurlijnen, waarvan de eindpunten elkaar naderden, alsof de vonken moeite deden tot elkaar over te springen, en te versmelten in éénen brand. Hoog daarboven, in de lucht, in de grauwzwarte regenwolken een ontzaglijke roode lichtmassa, vormloos, nevelig, en toch rustig — daar lag Berlijn.

Niets, niets van de millioenen lichten zelf, alleen hun weerschijn, die als een brandende Godsfakkel in de wolken hing. Er lag een woeste grootschheid in dit vuurteeken, waarmede de verborgen reuzin aan den hemel schreef. Het trof ons als een angstig wonder. Wij hadden elkaar bemind en gekust in den eenzamen woudnacht, slechts wij waren daar geweest, en anders niemand. Hier, bij dezen vurigen adem aan den horizont wisten wij weer, dat er een wereld om ons heen was, een wereld ons wachtte, — misschien zelfs wachtte, om te richten over onzen liefdesroes.

Sluiten