Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den valen morgenschemer gezien had — toen de bloeiende vlier zijn zee van geur over de stille, slapende wereld uitgoot, toen hadden wij over de waarheid gesproken, de een twijfelend, de ander in verheugenis van geestdrift. Vandaag was mijne waarheid in Lilly's oogen, in de oogen der vrouw, niet die der zieneres. De grijze dienaar deed snel open; de graaf was op den bepaalden tijd vertrokken, maar had een briefje voor Lilly achtergelaten. Evenals in dien gedenkwaardigen nacht straalden ook nu de kaarsen van den kroonluchter, en de witzijden gordijnen waren even laag neergelaten. Op het roode tafelkleed stonden de beide portretten. De lucht was zwoel. Ik zat op de sofa, Lilly op een pluchen stoel aan tafel, over het briefje van den graaf gebogen. — Nu? vroeg ik na een poosje. Zij legde den brief weg, en ging achterover in den stoel zitten. Daarop keek ze mij aan, tegelijkertijd haar baret op tafel werpend. Zou ze willen blijven?

— Hij moest natuurlijk naar die oude kast daarbuiten, en kon niet wachten. Ik zou hier vannacht blijven, schrijft hij. Zij hield op, en keek mij onafgewend aan. — 't Was precies zooals toen in dat nachtelijk uur; zij zat op denzelfden stoel, waar toen de graaf zijn geheimnisvol verhaal was begonnen. Ik meende, hoewel de portretstandaards met den rug naar mij toestonden, zelfs de beide vrouwekopjes te bekennen: het eene teer en zacht als Thérèse, het andere met groote schitteroogen. En ik zag naar de andere oogen, die

ik in 't donker begeerig gekust had de benauwde

warmte in 't vertrek, werd mij tot een ondragelijken gloed . . . wij waren alleen. . . als een visioen strekte zich het groote, stomme portaal weer voor mij uit, — de zware zijden gordijnen vormden een ondoordringbare scheidsmuur tusschen de dof-dreunende wereld op straat en ons vertrek . . . wij zwegen beiden, oog in oog. Ongetwijfeld waren onze gedachten dezelfde. Lilly schudde langzaam, alsof zij óók een schoonen droom opgaf, het hoofd.

— Vaarwel, mijn vriend, voor vandaag. Na al het schoone een goed einde. Lilly is moe, laat haar alleen.

Ik probeerde haar te overreden nog samen in een restauratie te gaan soupeeren. Neen, ook dat niet, de knecht zou haar 't noodige wel op haar kamer brengen.

— Mijn arm hoofd is zoo dof, zoo dood. Neen, lieve kameraad, het gaat niet, je weet, wie ik ben, 't zou te veel zijn, ik mag niet. — 't Was de eerste maal, na haar schertsende woorden, dat zij weer de geestenkoningin tegen

19

Sluiten