Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooren, morgen, morgen, als ik haar weer zou zien.

Het geratel van een wagen wekte mij uit mijn droomen. Ik zag nu ook zeer duidelijk, waar ik mij bevond, maar ik dacht er niet meer aan, mijne schreden naar Moabit te wenden. Naar 't Oosten, naar 't Oosten werd ik getrokken al zou ik ook de laatste uren der nacht verwijlen op den drempel van 'thuis, waar Lilly verblijf hield — ik had geen wil meer, ik moest er heen.

Leeger nog dan voorheen strekten zich de Linden uit. Over de nachtzwarte boomkruinen uit troonde in de verte, als een eenzame nachtvogel met roodgloeiende oogen dé Raadhuistoren. Verder, altijd verder. Toen ik een hoek omsloeg, speelde het, van den Raadhuistoren, drie uur. Ik bleef staan, alsof mij plotseling iets geheel nieuws overkwam. Door den maanverlichten nacht ging een klank, als van een oneindig teer koor daarboven, — aanzwellend, verstervend, en weder aanzwellend, — *t was als een echo der harde slagen van de andere klok, en toch niet daarmee te vergelijken, — zoet, liefelijk, melodieus... Toen het zweeg, herkende ik de plaats en óók dien klank, 't Was het klokkespel der parochiekerk, dat de bijna onmerkbare nachtwind zoo duidelijk tot naar deze plaats droeg. En in mij werd een andere wereld gewekt door die kinderlijk-eenvoudige muziek daarboven... de wereld van Thérèse, van wier woning uit, ik, huiswaartskeerend, een geheel jaar lang, bijna nacht na nacht, dit klokkespel gehoord had, —dikwijls, heel dikwijls, juist op dezelfde plaats.

Alles was als anders, ik luisterde, vast geloovend, dat het geluid nog eens weer moest komen.

Het kwam niet weer.

Andere verre klokken sloegen nu, koude, leege stemmen van den voortjagenden tijd, zonder herinneringen te wekken. Ik voelde een doffe pijn; Lilly's toovermacht scheen geheel en al verdwenen, het oude trok te sterk. Ik ijlde, bijna nog sneller dan eerst, voorwaarts, zoodat het geluid mijner schreden door de leege straten klonk. Maar ik week af van 't vroegere doel... ik holde door de vertrouwde straten, — straat na straat, — nauwe stegen — achteloos, den brandenden blik naar binnen gericht op de droomen van een verloren tijd vol zielsgeluk. Opeens stond ik voor een huizenrij, waarvan ik ieder stukje meende te herkennen in 't maanlicht. Daar, daarboven, drie vensters... van boven af kon men zien op den bouwgrond achter mij, die eens een groene tuin met ruischende boomen was

Sluiten