Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de rechterarm onder 't hoofd, als verzonken in oude herinneringen.

— Het is nu vier jaar, zeide zij, na eene pauze, dat ik uit Parijs kwam, en voor 't eerst in deze kamer was. Hare oogen dwaalden over de tafel, de meubels, als zocht zij dingen, die toen hier gestaan hadden.

— De graaf was vooruit. Lilly was bang en heeft lang geaarzeld. Maar, toen ik hier zat, toen was het gedaan.

— Heb je lang in Parijs doorgebracht? Dat «je» viel mij haast moeilijk, alsof het te lichtzinnig verworven was.

— O, in Parijs! Achter mij, weet je, lag veel, heel veel, veel nietswaardigs..., en ik heb niet geloofd, dat ergens op de wereld nog iets zou kunnen standhouden.

Zij blies langzaam den blauwen rook uit. — O, mijn vriend, wat is het leven toch dol, grenzeloos dol! —

Op straat rolde een rijtuig. Het onze? Ik verwenschte het.

— Als ik zoo in de kamer rondkijk, ging zij langzaam voort, o, dan komt alles, alles weer terug, 't Is erg dom, terugzien dient nergens voor. En toch komt het weer. Lilly is nu anders dan vroeger, Toen — toen was ik heel wild en — heel sterk. Nu — ben ik zwak. Neen, toen hadt je Lilly moeten kennen. En 't is toch maar goed van niet, zeker!

Er was een geheimzinnige betoovering voor mij in 't luisteren naar deze woorden, 't Rollen der koets was verklonken, 't was dus toch een vreemde geweest. Slechts het gesjilp der vogels, klonk vanuit het kerkhof over; verder alles stil, alsof de adem der wereldstad nog éénmaal zachter ging, in bewondering voor de zon, die nu in volle glorie opkwam.

— Ik weet niet, wat vóór mijn tijd ligt, zei ik — maar ik zie, wat nu is, Lilly, en dat is mij ruim genoeg.

Ik had ernstig, met bewogen stem, gesproken. Niettegenstaande dat gleed een lachje ovei hare trekken, toen zij mij aankeek.

— O, ja, dat wat nu is, wijze ridder, dat zie je zoo helder, zoo duidelijk ... maar 't doet er niets toe, je bent toch beter dan al de anderen. Hoor eens, zeg mij eens oprecht, ja, — je kent hem nu, hoe denk jij eigenlijk over den graaf?

Deze vraag kwam geheel onverwacht. Ik zocht een antwoord, maar tegelijkertijd kwam plotseling angst in mij op: zij heeft hem toch lief — of ze heeft hem liefgehad. Toen echter drong alles in mij te samen: die warme, opvlammende liefde voor haar, de eeuwige rampzaligheid als

Sluiten