Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hare trekken getuigden van trots, en zij zag er uit als een prachtig marmeren beeld, 't Was of een metalen last op mijn schouders drukte eri mij verpletteren zou. Ik sprong op, naar 't raam. Alles warrelde voor mijn oogen, de helle zonneschijf scheen een zwarte vlek. overal fonkelden roode lichtplekjes — ik werd door een duizeling bevangen. Ik legde mijn hand voor de oogen, nu werd het nacht, maar ik kon weer denken.

Wat was gebeurd?

Het beeld der geestenkoninging was verdwenen; de vrouw, die als godheid boven mij gestaan had, lag, als boetvaardige voor mij op de knieën, omdat ook zij eene aardsche vrouw was geweest. Van den hemel neergestort op aarde, en toch voelde ik blijden trots, weder op aarde te zijn. Vaste, aardsche tooneelen verrezen opeens - ik zag het gelaat van vrienden, waaronder ook Edmond .... wij zaten samen, lange, intieme avonden, en spraken ernstig,

als onbevooroordeelde mannen.

— Wie zal den eersten steen gooien op het meisje,

dat uit liefde gezondigd heeft?

— Niemand, als het uit liefde was.

Dat stond zoo onwrikbaar vast, als een overoud gebod, hoewel juist daarin de stralen waren van een nieuwen tijd. En verder: — als de tijd vervlogen, en 't verleden dood is, zal de vrouw dan nog onwaardig zijn, om de gansche liefde en trouw van eenen anderen man te genieten, — moet de man haar verstooten, omdat zij reeds éénmaal bemind neett.

— Neen, nieuwe liefde, als het echte liefde is, heeft kracht genoeg, om een nieuwe onschuld te scheppen.

En 'twas mij, of ik de oogen der oude tafelronde weer zag schitteren, maar nu ernstig op mij gericht, — oogen van levenden, en van reeds gestorvenen, — die alle schenen te zeggen: — Het uur is voor je geslagen, toon je een man, wees eerlijk, en handel volgens je overtuiging. O, ze hadden niet tè vragen, ik wist zelf al lang, wat.ik te doen had. Ik nam mijn hand weg, elk spoor van duizeligheid was vervlogen. Buiten stond de dag, in volle majesteit.

Ik keerde mij langzaam om. Lilly steunde de kin op hare hand, den starren blik op de bloemen van het tapijt. Ik legde mijn hand op hare schouder, zonder dat zij t hoofd ophief. — Lilly, er is ten slotte niets, dat ons scheiden kan. Ik wil je verleden niet, ik wil jou. Nog eens: word

mijne vrouw! , . ...

De handen voor 't gezicht geslagen, snikte ze heftig op.

Sluiten