Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegelijk naar den wijzer, we hadden niet op den tijd gelet. De eerstvolgende trein ging eerst na tafel. Ik belde, en stuurde de koets weg. — Weer een lange pauze, toén begon Lilly over onverschillige dingen te praten. Ik was doodmoe. Zij hoorde nu eerst, dat ik den heelen nacht niet geslapen had; zij wilde, dat ik nu zou slapen, maar bij alle lichamelijke afmatting was de geest te overspannen. Ik vertelde haar van de koorddanseres, en van de betoovering, waaronder ik gevangen was geweest vóór de Triomfzuil. Zij antwoordde niets.

Beneden begon de wereldstad druk te worden, de zon werd heet. Na wat vooraf was gegaan, had het ongestoorde samenzijn in de eenzame kamer voor mij iets drukkends. Ik sloeg een rijtoer voor naar de Diergaarde.

— Zooals je wilt! Zij deed weer even onderworpen, als toen bij het visioen van den brand. Aan de kerk namen wij een rijtuig. De oogen brandden mij, ik zag alles door een nevel. Onder de Linden een zee van stof, en gloeiende hitte. Lilly hield mijn hand vast, en deze zachte druk was schier ons heele gesprek.

Een uur lang reden wij over de blanke wegen der Diergaarde, en ten laatste, na een halfdonker, snikheet restaurant, de eindelooze rit naar het Görlitzerstation.

Het perron was ledig, de coupées zoo heet als een stoomketel. Mijn hoofd zonk zwaar op Lilly's schouders. — Slaap maar uit, mijn liefste. Werkelijk kwam een heerlijke verlossing over mij, en wist ik al heel gauw niets meer van den rit. Soms, in den droom, was het of een blond meisjeskopje door een spleet van een groot tentgordijn naar mij keek, en voelde ik een warmen kus op mijn voorhoofd.

Toen ik bij aankomst ontwaakte, voelde ik een nieuw leven in mij. De gebeurtenissen van den morgen schenen heel ver teruggedrongen. Hoe heerlijk, dat Lilly bij mij was. Op haar verzoek waren wij een station verder gegaan dan anders.

Men kon, van hier uit, langs een paadje, te voet naar het slot komen, en zoodoende den eindeloozen boottocht in de middaghitte vermijden, 't Scheen mij, of, met dezen grond onder de voeten, een zoete betoovering weer over mij kwam.

Arm in arm, in een langzaam wederkeerend vertrouwen, liepen wij over de stoffige straten der kleine plaaats. Hier was nog geen Spreewoudlandschap. Fabrieksschoorsteenen, waarvan de witte damp hard als een ijsblok in 't hemelblauw stond, en een elegante villa met glinsterende

Sluiten