Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het prachtige kleurenbeeld der verzamelde Wendische vrouwen in haar landsdracht. De heete namiddaguren van dezen dag versliepen we in een hoekje van het bosch aan den voet van den met graanschoven bekroonden heuvel, waar volgens de sage de laatste koning der Wenden in een onderaardsch vertrek een tooverslaap zou slapen en waar de wetenschap vondsten deed uit voorhistorische tijdperken. Wij vroegen niet veel naar betoovering of wetenschap : dit volkomen eenzaam plekje met zijn wal van braamstruiken scheen ons alleen een onovertrefbaar schuilhoekje, zooals verliefden maar wenschen konden. Het eigenlijke moeraswoud vermeden we wegens de giftige insecten, het liefst waren we in de kleine, groene elzenboschjes, waarheen zelfs geen pad voerde en waar, van buitenaf gezien, de takken onmiddelijk schenen te rusten op het kniehooge gras.

Deze teugellooze liefde midden in een natuur, die door de hitte, door den weelderigen plantengroei, en de eeuwige zondagsrust zelf reeds iets bedwelmends had, deed mij de weken voorbijvliegen als in een droom. Ernstige gesprekken vermeed Lilly zorgvuldig, van spirististische dingen leidde ze het gesprek altoos zoo snel mogelijk af. Somwijlen scheen het mij midden in het volle genieten, in de volstrekte overgave, als waren wij elkaar eigenlijk geen stap nader gekomen. Over haar verleden sprak Lil[y nooit, en toch bemerkte ik als goed opmerker uit verschillende, toevallige trekjes, dat dit verleden rijker en voller aan lotsverwisselingen geweest was, dan ik zelf of de graaf wisten. Doch ik was bang aan sommige sluiers wat al te hard te trekken. De roes was te zoet en anderzijds was ik bang voor mystieke aanvallen: die vroegere bij den terugkeer van het meer stond mij nog steeds levendig voor den geest.

Een enkele maal, na een bijzonder wilde orgie in het groen, toen ik op den terugweg de riemen voerde — ik had dit inmiddels geleerd — met de sterren boven mij, vóór mij de wondere ontplooing van het vlakke land en beneden mij het gorgelende water, kwam de gedachte in mij op, dat het toch goed was dat Lilly mijn vrouw niet had willen worden. Zij deugde wel voor minnares, maar niet voor vrouw. De hartstocht kwam in sommige oogenblikken over haar als een storm en dan was ze wegsleepend bekoorlijk. Maar dat vervloog even snel weer, de vochtige oogen werden weer ijzig kil en opeens stond weer een muur tusschen ons. We spraken en handelden dan

Sluiten