Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuimig, een tweede gestalte, die, in den lichtkring gekomen, schel wit werd — over den waterspiegel klonk geblaf — het was Hector, die in vollen galop op het spook had willen losrennen. Maar hij hield stil, blijkbaar hinderde hem iets, hij boog zijn kop, niesde en hoestte een paar maal, en kroop dan langzaam om de gestalte heen. Plotseling scheen hij echter opnieuw moed gevat te hebben, hij sj?nd stil, kwispelstaartte, en tastte met de voorpooten tot dicht bij het spook. De verschijning probeerde hem met haast heelemaal nienschelijk gebaren af te weren, daardoor ontgleed het sikkelvormige voorwerp aan haar handen, — de hond sprong ernaar, en een zijner voorpooten raakte vast in een stuk van 't over den grond sleepend gewaad, hij niesde nogmaals, wilde zich losrukken, men zag de dunne

stof scheuren...

— Voor den duivel! riep de graaf opeens, met een rauwe stem. — Wij worden bedrogen! Wie 't eerst het sein ervoor gegeven had, wist niemand, maar reeds in t volgende oogenblik0 begon een wilde jacht. Frey, de kapitein en Walter renden rechts, de graaf en ik links. De gestalte was, toen zij ons zag komen, op de vlucht gegaan, links het bosch in, door den blaffenden hond achtervolgd, wij beiden waren haar dicht op de hielen. Het geblaf wees ons duidelijk den weg; eens, toen het de gedaante een beschaduwd pad kruiste, zagen wij ook het lichten der huid weer, dat ons wild zoo ver'radelijk kenteekende. We hadden overigens geen weg noodig, en holden door dik en dun. De natte takken zwiepten ons in 't gezicht, 't kon me niet schelen, geen spoor van spokenvrees was meer in mij — één ding klonk onophoudelijk door mij heen: Laat ons bedrogen hebben wie wil: Lilly is het niet! En dat was zóó troostend, dat mij de jacht haast een pretje toescheen. Nu waren wij op de open plaats vóór "net tuinhuis. Aan den woudrand gekomen, zagen wij, bij t schijnsel der volle maan, nog duidelijk, hoe de snelvoetige vrouwelijke schaduw in de middendeur verdween, het toeslaan daarvan klonk luid over de plaats heen. Drie stappen, en wij waren zelf bij de deur. De graaf rukte haar 't eerste open, ik zag, toen een lichtschijn over zijn gelaat viel, dat zijn trekken van woede vertrokKen waren. De hal was donker; ik stak eea lucifertje aan: leeg. Maar de deur naar 't kabinet stond open. Ook daar niemand, maar de valdeur was opgetrokken, de kelderopening gaapte, beneden een mat schemeren als van vermolmd hout en een licht steunen, het klagend geschrei eene _ vrouw.

Sluiten