Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer bloeit. Langs den spoorweg is het 't mooist: één vlammende streep. En dat is ook de astertijd voor de graven daarboven, de tijd van de asters en de zonnebloemen.

— Er steekt een dichter in je, zei ik glimlachend.

— Bah, een dichter! Dat is tegenwoordig nog erger. Willen en niet kunnen. Mozes. Maar het wordt koel, de nevel komt. Laten we naar huis gaan.

Ik ging met hem mee over het verlaten erf van de boerderij, waar de hanen kraaiden, tot aan de openstaande, getraliede poort van het park.

— Goeden morgen. Slaap nog een paar uur. Slaap is het beste voor de levenden.

— Je moest niet zoo alleen daar buiten zitten. Kom je morgen in het slot?

— Morgen — nu — maar toch gauw — ja, stellig gauw — hoor eens, dat zijn geen rietmusschen meer... dat is een leeuwerik.

Ik luisterde. — Ja, dat lijkt wel.

— Nu, goeden morgen!

Ik dacht dat hij wel weer op zijn gewone manier weg zou gaan zonder verderen groet, maar hij gaf me de hand.

Nu zag men ook van hier het morgenrood, de leeuwerik zong heel duidelijk. Ik voelde opeens, hoe doodmoe ik was. Maar Frey zag er in dit oogenblik uit als een vale geest, zijn hand was klam en koud.

Toen hij het park ingegaan was, hoorde ik in de groote stilte nog, hoe hij bleef staan en een lucifer aanstreek. Hij stak zijn pijp weer aan. Dat had iets kalmerends. Ik ging boven naar mijn kamer en viel aanstonds in een diepen, zenuwherstellenden slaap.

Sluiten