Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lk lachte. Neen, dat was niet zoo. Ik beminde Lilly, had haar bemind, maar dat maakte mij niet blind. Ik schonk hem klaren wijn, en vertelde van mijn hartstocht zoowel als van mijne bedenkingen. Hij nam dit alles haast onverschillig op, zijn belangstelling scheen enkel dit ééne punt te raken.

— Nu, ja, dat gaat jullie alleen aan, dat andere. De hoofdzaak is, je woord te hebben, dat je niet beïnvloed bent. — Wij gingen langzaam verder, zijn hand bleef op mijn schouder rusten, als moest hij een steun hebben.

— Ach, ja, ging hij op zachten toon voort, neem mij dat alles niet kwalijk, laten wij er niet verder over spreken. O, je begrijpt niet, wat ik dezen nacht geleden heb; ik heb getwijfeld, ik, ik, voor de eerste maal, sinds Lilly bij mij woont. Ik ben urenlang opgebleven, in mijn kamer, en heb alles nagegaan. Neen, er is geen schijn van grond om Lilly te verdenken; en toch kwelt de gedachte, dat ik kon twijfelen, mij ontzaggelijk. Ik schaam mij, dat ik, na vijf jaar samenzijn met Lilly, voet gegeven heb aan den twijfel. Maar deze schaamte is niets vergeleken, bij het vreeselijke, als deze twijfel waarheid was geweest. Dat zou het einde van mijn denken en leven zijn geweest, het absolute bankroet, lk zocht hem te kalmeeren, en stelde nogmaal alles op 't beste voor.

— Goed, goed, zei hij — ik weet het wel. Het kan niet zijn, en had nooit kunnen zijn. Maar de stemming is er nu eenmaal, en ik ga mijn groot geneesmiddel daartegen gebruiken. Weet je waar we heengaan?

— Neen

— Naar Nelly's graf. — m

— Ja, vervolgde hij, na eene korte pauze, ze ligt hier op het kerkhof. Dicht bij mijne voorvaderen, maar niet daartusschen. Bij arme lieden, waar zij hoort. Waar de spreuk staat: «want hunner is het koninkrijk der hemelen», omdat zij op aarde niets bezaten. Ik heb de kist hierheen laten halen, ik weet dat het kinderachtig is, de asch is immers niet het leven, en de geest is aan geen plaats gebonden. Maar de theorie zegt, dat de sfeer van activiteit van den geest sterker moet zijn in de nabijheid van het graf. Lilly meende dat ook. En toen heb ik het op een dag uitgevoerd, met veel moeite, maar het gelukte. Je zult mij voor een dwaas houden, want ik had toch Lilly, en Nelly sprak zoo dikwijls door haar. Dat heeft mij ook veel geluk gegeven. En toch dacht ik dat Nelly op den grafheuvel het dichste bij mij was. Hier heb ik steeds reinen troost gevonden.

Sluiten