Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik begreep hem wel, en zeide wat van het betrekkelijke van het tijdsbegrip, zooals Kant dat gevonden, en Schopenhauer het in onvergankelijke woorden neergelegd heeft, van het menschelijk tijdsbegrip, terwijl in het absolute al het schijnbaar voortgaande slechts een enkele, eeuwige tegenwoordigheid is — maar zelf voelde ik dat deze min of meer problematische veronderstellingen geen steekhoudende argumenten waren tegen den ideeëngang, dien ik daar iuist gehoord had.

— Neen, zei hij — met het absolute van het tijdsbegrip komen wij hier niet doorheen. Daarvoor hebben wij de gansche persoonlijke onsterfelijkheid niet noodig. De geesten, wier bestaan Lilly ons getoond heeft, schijnen mij nog niet in 't absolute op te zijn gegaan, zij staan slechts op een ietwat hoogeren, vrijeren top.

Hij zweeg weer, en wij staarden nogmaals in 't warme middaglandschap. Was er in 't geen ik gehoord had, soms een nieuwe Pschipolnitza-vraag, die ons opnieuw zou doen twijfelen, en door dien twijfel, ongelukkig zou maken.

Na een lange pauze bukte de graaf en plukte het ganzebloempje van het graf. Er was daar iets roerends in.

— Ja, ja, zei hij, zich langzaam oprichtend — o, dit stukje grond, waarin een dood mensch ligt! Niet voor niets staan de kerkhoven in een roep, plaatsen van nachtelijke verschrikking te zijn. De geesten, die hier dolen, zijn misschien heel zachtaardig, maar uit elke groeve groeit een Gorgonenhoofd, altijd weer een nieuw. Ik ben bang dat wij, misschien nog niet aan 't einde zijn.

— Nu, laten we moed houden. Tenslotte is dit alles vandaag bij ons niets dan nawerking der nare tooneelen van dezen nacht. De hemel beware ons dat zooiets terugkomt. &

Wij gingen. Hij scheen toch eenigszins getroost te zijn, hij werd bijna vroolijk en sprak over andere dingen. Toen wij dicht bij huis waren, zei de graaf: — Weet je wat, we zullen onzen kluizenaar eens overvallen. — Frey. We komen hier van den boschkant wel niet over 't kanaal! maar wij roepen den heiligen Lukas aan, en hij zet ons met de boot over. —

Een paar schreden op een zijpad — en het elzenwoud opende zich.

Hallo, riep de graaf, de handen tot een spreekbuis voor den mond, — Frey, Frey!

Niets bewoog aan de gesloten vensters der kluis.

Sluiten