Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

it er in de eerstvolgende uren om mij heen voorviel, wist ik nauwelijks. De buitenwereld scheen mij dood, hoewel zij luid genoeg rumoerde. De

kleine schilderskluis vulde zich met menschen; ik leunde stom tegen het venster; de vele gezichten, die kwamen en weder gingen, golfden aan mij voorbij als leege schaduwen.

Een tijd lang stond Walter lang en breed naast mij te praten over Frey en Lilly, en alle mogelijke andere dingen, op den fluistertoon van een sterfhuis. Ik gaf geen antwoord, en merkte nauwelijks dat hij wegging en op een ander

toetrad. . , ,

Eenmaal legde de graaf zijn hand op mijn schouder. — Wilhelm, Wilhelm, waar is onze mooie morgen?

Ja, wat was de gang naar het stille kerkhof goed en vriendelijk geweest! Zoo waren wij, arme menschen, dus pas gered uit de verschrikkingen van den nacht. . . en nu dadelijk weer dat. Was er dan heelemaal geen rust meer? En bij al het gruwzame dat was geschied, was het of aldoor ten innerlijke stem zeide: dat is eerst het begin, nu komt slag op slag. Ik streed daartegen. Wat kon dan nu nog komen t Het vreeselijkste was gebeurd. Maar de angst kwam weer, en ik kon er niet vrij van worden.

In den loop van den namiddag, nadat ik in het slot was teruggekeerd, en met de anderen, droevig en zwijgend, had gegeten, en daarop naar mijn kamer was gegaan, kwam de beklemming steeds sterker over mij. Ik besloot een poosje in de koele avondlucht te gaan wandelen. Ik zocht in 't slot of niemand mee zou willen gaan, maar de graaf was met den kapitein naar het stadje gereden, en Walter hield wacht bij den doode. Daar wilde ik niet heen, in géén geval het lijk meer zien. Zoo liep ik dan, ten slotte, alleen het weidedal in. Lilly had zich niet meer laten zien,

Sluiten