is toegevoegd aan uw favorieten.

De godin van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik verlangde ook niet naar haar, maar nu ik aan haar dacht, was het mij opeens, alsof er met Lilly iets vreeseliiks was gebeurd. Maar wat? Neen, er was immers niets. De gebeurtenissen van den nacht waren allang opgehelderd De daad van Frey had er niets mee te maken. Integendeel was hij in t vaste geloof aan Lilly's leer gestorven.

De hitte was sterk verminderd, alsof 't in de buurt geonweerd had. Ik ging langzaam door 't bosch de richting van den molen in. De wind suisde zacht door de blaren in t blanke water weerspiegelde zich het groene bladerendak . . -Altijd hetzelfde theaterspel, fata morgana van de wereld der verschijningen.

Was Lilly's oplossing een antwoord? Wat stond nog achter die geesten, hadden zij het volle zijn bereikt of was dit óók slechts een droom der zinnen? Was Frey nu gelukkig? was het pijnlijke gelaat, waarmee hij gestorven was, het laatste masker geweest, dat viel... of leed hij nieuwe smarten achter het gordijn, waar wij hem niet meer zien konden?

Zou hij door Lilly tot ons spreken? Hoe dikwijls hadden wij dit niet beredeneerd? En nu was de aanblik des doods toch zóó almachtig geweest, dat mij dit alles, ondanks de feiten, waanzin toescheen.

Vrede rust slaap — naar iets anders hadden deze verwrongen trekken geen heimwee.... Ook ik, als levende, gevoelde dit heimwee. Vroeger had ik de gedachte aan een eeuwige rust ontzettend gevonden, en nu vroeg ik mij af, of er dan nooit absolute rust was. Was eeuwig verder leven een verlossing? De menschheid had het omgekeerde gezegd in de sage van Ahasverus.

Eeuwige rust: eeuwig niet-weten en als dit niet-

weten beter was dan 't volle weten? Ik dacht aan's nachts. Als de schijn van een oogenblik waarheid was geweest, en Lilly veroordeeld had, o, zou het dan niet duizendmaal beter zijn geweest, als wij nooit geweten hadden, wat de waarheid was i Langs den molen om, voerde een pad tusschen korenvelden en weiden van het groote Wendendorp. Na een wijle dook uit een boomgroep een wit huisje, dat ik kende uit mijne tochten met Lilly: de herberg <de Wendische Koning» Een ronde, zwartblauwe regenwolk hing juist boven de nok van het dak. De onderste rand vergloeide donker karmijnrood, en uit de gansche massa zonk langzaam, als een brandend roode druppel, de zonneschijf; en daar boven, in tzachtblauw van den hemel, strekten zich