Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanmerking genomen, dat het schot kort na zeven uur 's morgens was gevallen. Even dacht ik nog, dat het vrouwlijke onjuistheid was bij het verhaal. Maar ik las verder, en stuitte nogmaals. Thérèse beschreef hare vertwijfeling, hare lichamelijke ongeschiktheid om dien namiddag wat te doen. Zij was dus in den namiddag reeds daar geweest, en Edmond blijkbaar reeds in den namiddag dood. En meer nog: zij verontschuldigde zich nog in 't bizonder bij mij: — Daardoor kwam het, dat je het telegram eerst in den nacht gekregen hebt, je zoudt het direct hebben gekregen, maar ik was zoo ziek, en alles liet mij zoo koud. — Ditmaal liet ik het papier niet zinken, maar las verder tot het einde. Er stond niets bizonder meer in. Ik had opeens begrepen: Edmond was's morgens om elf uur gestorven. Niet 's avonds. De, zelfs ook maar bij benadering, gelijktijdigheid van verschijning en sterfuur, verviel daarmee geheel. Ik stond een paar minuten, als geslagen, als lichamelijk ziek. Ik ging in de gelagkamer een glas wijn drinken. De vreeselijke opwinding was oorzaak, dat de kleine dosis alcohol een formeelen roes ten gevolge had, die bij het langzame terugwandelen door de velden langzamerhand overging. In de nabijheid van den molen schoot mij plotseling de gedachte door 't hoofd: wat is de beteekenis van dit feit? En haast gelijktijdig zag ik het hoonlachend gezicht van den ouden professor vóór mij...

— Wel, dacht ik met snel opkomenden trots, dat alles bewijst nog niets! Ik had in mijn leertijd der laatste weken gevallen van het tweede gezicht gelezen, waarbij de verschijning van den geest eerst uren, vele uren soms, na den dood, plaats had. Als de hypothese van geestverschijningen waarheid bevatte, deed de tijd er niet toe, de verschijning was alles. Een oogenblik moest ik lachen, om het jammerlijk, spitsvondig argument van den professor en leek het geheele geval mij heel onbeteekenend toe. Nog een klein verschil in de tijdsopgave, verder niets; gelukkig, dat ik nog niets gepubliceerd had. Daarna in 't donkere woud, waar de koelte der bladerkronen wel 't laatste overblijfsel van den alcoholgeest verdreef, voelde ik mij toch onbehaaglijk, eigenlijk wat geërgerd. De gelijktijdigheid was zeker onnoodig, maar 't was zulk een sprekend argument. Het feit was zóó dom, dat ik het verwrongen zou kunnen hebben.

Plotseling, toen ik het helverlichte slot vóór mij zag, overviel mij een groote droefheid. Ik had Frey geheel vergeten — wat was het vandaag een ongeluksdag, 't eene na 't andere. Waar moest dat eindigen — was het geluk

Sluiten